21-11-05
Naar een nieuwe Benelux
S.W. Couwenberg
Internationale Spectator, mei 2005,
Nu het Benelux-verdrag van 1958 dat in 1960 in werking getreden is binnen afzienbare tijd afloopt, staan de drie Benelux-landen voor de keuze dat verdrag op te zeggen, ongewijzigd te laten doorlopen of een nieuw verdrag te sluiten met een nieuwe oriëntatie. Gezien de institutionele veranderingen die zich in de Belgische staatsstructuur sinds 1958 voltrokken hebben, is een ongewijzigde voortzetting van het verdrag niet langer een reële optie. Evenmin is dat een eventuele opzegging ervan, gezien het grote economische en politieke potentieel dat inmiddels in de Benelux voor handen is evenals een belangrijk netwerk van contacten dat vraagt om voortzetting en verdere intensivering.De vraag is dus: hoe verder met de Benelux na 2010?
Dat de Benelux een belangrijke functie kan en moet blijven vervullen is ook het oordeel van het Comité van Ministers van de Benelux. Maar hoe die functie inhoud en vorm te geven na 2010? Daarover wordt nog te weinig serieus nagedacht en gediscussieerd. In economisch opzicht is de Benelux door de Europese integratie grotendeels achterhaald. Wel valt nog het een en ander te doen inzake verdieping van de eigen interne markt, intensivering van grensoverschrijdende samenwerking, eenmaking van het recht, en overleg op het terrein van justitie, politie, immigratie en dergelijke, al gaat de Europese Unie zich met dat laatste nu ook intensiever bezig houden. Of wat nu nog rest aan taken voldoende is voor een nieuw Benelux-verdrag, is echter de vraag.
Dankzij de Europese integratie is de oude territoriale machtsstrijd in Europa verdwenen. Maar daar is een andere machtsstrijd voor in de plaats gekomen, de strijd namelijk voor handhaving of versterking van de eigen machtspositie in Europese instellingen en bij onderhandelingen over concrete dossiers. Dat bij een zich verder uitbreidende EU de Benelux-landen in Europees verband meer en meer aan politieke invloed inboeten, wordt algemeen ingezien. Hoe die tendens te pareren is derhalve een vraag die zich meer en meer opdringt. We kunnen die tendens pareren door wisselende allianties met gelijkgestemde lidstaten te sluiten, maar ook door regionale coalities te vormen van meer duurzame aard. In een manifest dat onlangs is aangeboden aan de voorzitter van de interparlementaire Benelux-raad, wordt in verband hiermede een lans gebroken voor de ontwikkeling van de Benelux tot een politiek samenwerkingsverband dat er doelbewust naar streeft in de EU in principe als politieke eenheid op te treden, daarbij voortbouwend op de traditie van overleg en consensus die in de Benelux-landen sinds lang deel uit maakt van de heersende politieke cultuur. Die politieke krachtenbundeling is nodig om een tegenwicht te scheppen tegen de intrinsieke neiging van grote lidstaten bij de Europese besluitvorming hun wil door te zetten en dat zo nodig te doen door intergouvernementele afspraken met elkaar te maken en de kleine lidstaten zodoende voor het blok te zetten. Nog vóór de ondertekening van de Europese Grondwet hebben de vijf grootste lidstaten van de EU een groep apart gevormd (de G5) als een soort directoraat dat erop uit is de besluitvorming in goede, d.w.z. eigen banen te leiden. Ik voeg hier nog aan toe dat met het in werking treden van de Europese Grondwet de invloed van de zes grootste lidstaten (Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Italië, Spanje en Polen) aanzienlijk zal toenemen met als gevolg dat zij nog minder dan nu met de belangen van de kleinere lidstaten rekening hoeven te houden. In die grondwet wordt namelijk gebroken met het huidige stemsysteem in de Raad van Ministers. Het stemgewicht van de lidstaten wordt onder die Grondwet voortaan rechtsreeks gebaseerd op hun bevolkingsaantal. De gekwalificeerde meerderheid komt dan te liggen bij 65% van de totale Uniebevolking. En juist genoemde grote lidstaten maken nu al 74% van de Uniebevolking uit. De opwaardering in die Grondwet van de Europese Raad van regeringsleiders tot een formele instelling van de Unie die de Raad van Ministers bindende aanwijzingen kan geven, leidt voorts tot verdere versterking van het intergouvernementele element en dus tot verzwakking van de communautaire methode, dus de besluitvorming via Europese Commissie, Europees Parlement en Raad, waar kleinere lidstaten het meeste baat bij hebben. Een politieke Benelux-unie kan tegenover die ontwikkeling een belangrijke rol vervullen door zich in te zetten voor de handhaving en verdere uitbouw van de communautaire methode. Zodoende kan zij in het Europese machtsspel waken over de positie en belangen van de kleine lidstaten en een dam opwerpen tegen de neiging van grote lidstaten tot het voeren van een
verdeel-en-heers-politiek. Als voorloper en voortrekker van Europese integratie ligt hier voor de Benelux een nieuwe taak waaraan een nieuw elan te ontlenen valt.Als in 2014 krachtens de Europese Grondwet de lidstaten het recht verliezen een eigen lid voor de Europese Commissie voor te dragen, is dat ook alleszins reden voor de Benelux-landen om met het oog daarop de handen in elkaar te slaan en te streven naar een Europese Commissaris namens de Benelux. De interparlementaire Benelux-raad heeft in 2002 zelf reeds een lans gebroken voor het openen van gemeenschappelijke ambassades. Ook dat is een interessant punt van politieke samenwerking. Over meer strategische onderwerpen van buitenlandspolitieke aard bestaan vooralsnog veel onderlinge fricties zoals de afgelopen jaren gebleken is. Maar de komende jaren kan er te dien aanzien veel veranderen. Als het al niet lukt politieke samenwerking als juist bedoeld tussen drie buurlanden van de grond te krijgen, hoe zal dat dan kunnen lukken tussen 25 en meer lidstaten?Tot dusver is nog betrekkelijk weinig denkwerk verricht inzake de toekomst van de Benelux. Wel is in de beleidsnota van de Vlaamse regering, getiteld: "Buitenlands beleid en internationale samenwerking voor de periode 2004-2009" een wetenschappelijk onderzoek aangekondigd naar de vraag hoe de Benelux als instrument en als bondgenootschap binnen een inmiddels verder verruimde Europese Unie optimaal kan worden ingezet op die gebieden waar Vlaanderen juridisch bevoegd is. Dat onderzoek dat inmiddels is uitbesteed aan een viertal universiteiten zal duidelijk moeten maken of en zo ja hoe een verruimd Benelux-verdrag voor Vlaanderen een meerwaarde kan bieden naast de reeds bestaande bilaterale samenwerkingsverbanden. Blijkens het regeerakkoord van de Vlaamse regering 2004-2009 streeft Vlaanderen namelijk naar grotere regionale betrokkenheid bij de voortzetting van de Benelux.Dat is inderdaad een nieuw aspect waarop ook van Nederlandse regeringszijde op de derde Belgisch-Nederlandse conferentie op 28 oktober jl. gewezen is. Nauwere politieke samenwerking in de Benelux vergt derhalve niet alleen intensievere contacten met de Belgische federale regering, maar ook met de Vlaamse en Waalse regering en het Brussels Hoofdstedelijke Gewest. Een hernieuwd Benelux-verdrag moet uiteraard behalve voor Vlaanderen ook een meerwaarde bieden voor Wallonië en het Brussels Hoofdstedelijke Gewest.
De auteur is directeur/hoofdredacteur van Civis Mundi en oud-hoogleraar staats- en bestuursrecht. Namens het initiatiefcomité 'Naar een nieuwe Benelux' heeft hij onlangs tijdens een zitting van de interparlementaire Beneluxraad in Den Haag een manifest aangeboden waarin de toekomst van de Benelux aan de orde gesteld wordt. Bovenstaand artikel is daarvan een neerslag.
10:38 Gepost door 0 | Permalink | Commentaren (7) | Email dit |
Facebook |
15-11-05
Benelux bestaat niet meer
Onderstaande tekst lazen we in JOURNAAL (nr. 458), de nieuwsbrief van Mark Grammens, van 10 november 2005.
BENELUX BESTAAT NIET MEER
Dat heeft een niet nader genoemde Belgische topdiplomaat gezegd aan Le Soir (28.10.05). Er staat: "Le Benelux est mort" (Benelux is dood). Volgesn de diplomaat bestaan er vrijwel geen contacten meer tussen België en Nederland. De Benelux-bijeenkomsten die tot hiertoe steeds voorafgingen aan belangrijke Europese vergaderingen, zijn een stille dood gestorven onder Verhofstadt. Alleen met Luxemburg worden dit soort contacten nog voortgezet, niet meer met Nederland. Er bestaat ook geen onderlinge solidariteit meer. België heeft zich bijvoorbeeld radicaal gekant tegen een Nederlands verzoek om zijn financiële bijdrage aan "Europa" te mogen verminderen, hoewel men weet dat de overdreven hoge Nederlandse bijdrage, destijds toegezegd door Lubbers, een groot aandeel heeft gehad in de overwinning van de neen-stemmers tegen de Europese grondwet.
Het is jammer dat hiervoor in Vlaanderen zo weinig belangstelling bestaat. Het lijkt er wel op dat ook Vlaanderen de Benelux heef topgegeven. In ieder geval onderneemt het autonome Vlaanderen niets om de Belgisch-nederlandse samenwerking weer op gang te brengen. In de jongste "Strategienota" van de Vlaamse regering wordt wel gepleit voor een nauwere samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland, maar dit slaat uitsluitend op zaken waarvoor de Vlaamse regering bevoegd is, en dus niet op het buitenlands beleid, dat een Belgische bevoegdheid blijft. Minister Bourgeois, die het buitenlands beleid bepaalt, wenst ongetwijfeld de band met Nederland te versterken, maar of hij en de regering waarvan hij deel uitmaakt, hiervoor een conflict met de regering-Verhofstadt zullen willen riskeren, is zeer de vraag. Voor een deel wordt het vrijwel volledig opgeven van de Benelux door België gezien als een wraakoefening voor de weigering van de Nederlandse regering om de kandidatuur van Verhofstadt voor het voorzitrterschap van de Europese Commissie krachtig te steunen. Gevreesd moet worden dat zolang "paars" aan het bewind is in België, de Vlaamse regering de contacten met Nederland niet zal kunnen uitbreiden tot de internationale politiek, maar deze integendeel zal moeten beperken tot taalpolitiek en cultuur.
10:40 Gepost door 0 | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |
Facebook |
14-11-05
Cultuurbeleid is effectief instrument voor machtspolitiek

Doen kleine landen niet aan machtspolitiek omdat ze zo klein zijn? Of zijn ze zo klein omdat ze niet aan machtspolitiek doen? Voor dat laatste valt veel te zeggen, meent de Vlaamse journalist Paul Belien. En dan moet machtspolitiek vooral niet alleen in traditionele termen worden opgevat. Zonder effectief cultuurbeleid zijn Nederland en België gedoemd klankborden te blijven van de grote ons omliggende culturen.
I
De Frankfurter Buchmesse en de Golfoorlog hebben, behalve het feit dat er op de volgende Messe boeken over de Golfoorlog te vinden zullen zijn, op het eerste zich weinig met elkaar gemeen. Men kan er evenwel lessen uit trekken over machtspolitiek - een discipline waarin Nederlanders (en Belgen) weinig beslagen zijn.
Het Verenigd Europa was een van de grote verliezers van de Golfoorlog. Het gaf blijk van zijn onmacht toen de Europese Gemeenschap er niet in slaagde een gezamenlijke politieke positie in te nemen. De "grote drie" van de EG - Groot-Brittannië, Duitsland en Frankrijk - namen uiteenlopende posities in.
De Britten zaten op één lijn met de Amerikanen. De Duitsers stelden zich neutralistisch op. De Fransen waren omwille van hun goede Arabische relaties gekant tegen een oorlog maar schaarden zich, toen die eenmaal onvermijdelijk geworden was, loyaal achter de geallieerden. Ze wilden immers na de oorlog medezeggenschap bij het uittekenen van de nieuwe internationale orde.
De kleine EG-landen reageerden even verdeeld als de groten. Italië zat op de Franse lijn, Denemarken op de Duitse en Nederland op de Angelsaksische. Spanje wijfelde tussen de Franse lijn en een neutraliteit ingegeven door specifieke Spaanse belangen in Noord-Afrika. België werd heen en weer geslingerd tussen de Franse en de Duitse lijn - de Franse overheerste in Wallonië, de Duitse in Vlaanderen. Het resultaat was een typisch Belgisch compromis waarmee je alle kanten op kon.
Een vergelijking tussen de Belgische en de Nederlandse houding in de Golfoorlog toont de opvallende parallel tussen culturele en politieke invloedssferen. Nederland leunt cultureel van oudsher sterk aan tegen de Angelsaksische wereld. Het was in het Golfconflict een trouwe bondgenoot van Amerikanen en Britten.
België probeerde de Duitse en de Franse houding met elkaar te verzoenen. Het land bestaat immers uit twee grote culturele blokken, Vlaanderen en Wallonië, die cultureel-intellectueel sterk aanleunen tegen respectievelijk Duitsland en Frankrijk.
Wanneer er in België onenigheid is over buitenlandse politiek vind je de tegenstelling tussen Franse en Duitse gedachtenstromingen vaak terug in de tegenstelling tussen Walen en Vlamingen. De Franstalige Walen zijn sterk op Frankrijk gericht. De Vlamingen hebben zich vanaf het begin van hun ontvoogdingsstrijd op het eind van vorige eeuw sterk op Duitsland georiënteerd.
In de rakettenkwestie zes jaar geleden stonden de Waalse socialisten zeer dicht bij de Franse PS. Links Frankrijk was voorstander van een sterke Westeuropese defensie. Links Wallonië ook. Er waren in Franstalig België, ook bij links, nagenoeg geen pacifisten. Die vond je daarentegen wel in Vlaanderen. De socialisten zaten er helemaal op de lijn van de Duitse SPD. De Groenen helemaal op de lijn van de Duitse Grünen.
De Nederlandse socialisten waren ook tegen de raketten, maar refereerden daarbij eerder aan het Britse Labour dan aan de Duitse SPD.
In de Golfoorlog waren de Nederlandse socialisten, net als de Britse, veel minder tegen de oorlog gekant dan de Vlaamse en de Duitse. Zelfs "rechtse" Vlaamse intellectuelen, zoals Manu Ruys en Mark Grammens, zaten in het Golfconflict op de Duitse neutralistische lijn. De pleitbezorgers van een groter aandeel in de Golfoorlog moest je in Wallonië en Franstalig Brussel zoeken.
II
Men mag het belang van cultuur als machtpolitiek instrument dan ook niet onderschatten. Grote landen doen dit ook niet. Zij gebruiken cultuur allemaal als een middel om hun politieke en economische doelstellingen te dienen. Ze hechten er dan ook bijzonder groot belang aan. De verantwoordelijken van de British Council in het buitenland hebben een Brits diplomatiek statuut. Het Duitse Goethe-Institut heeft 155 culturele instellingen in 73 landen.
De Spaanse regering trok vorig jaar honderdtwintig miljoen gulden uit om in het buitenland zeventig Cervantes-instituten op te richten om de kennis van de Spaanse taal en cultuur te bevorderen. "Er bestaat geen buitenlands beleid zonder cultuurbeleid," verklaarde de Spaanse minister van Buitenlandse Zaken, Francisco Fernandez Ordonez bij de lancering van het Cervantes-plan.
Er is in West-Europa echter geen land dat zo veel belang hecht aan zijn buitenlandse politiek als Frankrijk. Dit land hecht van allemaal eveneens het grootste belang aan zijn culturele uitstraling. Beide bepalen de grandeur van Frankrijk in het buitenland.
Het gaat Parijs in zijn cultuurpolitiek niet in de eerste plaats om de Franse cultuur, zelfs niet om de Franse taal. Het gaat allereerst om de versterking van de Franse politieke en economische belangen. In de marge van regelmatig georganiseerde topontmoetingen van regeringsleiders uit Franstalige landen is er altijd een congres van zakenlui. Opvallend daarbij is steeds de grote vertegenwoordiging van Franse industriëlen uit de communicatiesector (Alcatel, Bull, Matra, enzovoort).
De Fransen willen zich verzekeren van hun toekomstige politieke aanwezigheid in hun voormalige Afrikaanse kolonies door er de positie van hun taal als lingua franca te bestendigen. De communicatiesector - satellieten, televisie, radio, computers - is daarbij van levensbelang.
In Indonesië was het mogelijk dat het Engels er het Nederlands als belangrijkste Europese taal verving. De voormalige Franse kolonies zullen een dergelijke overstap niet maken. Daar zorgt Parijs wel voor. Het is bereid daarvoor veel geld te betalen.
De totale Franse begroting voor cultuurexport bedraagt 2,5 miljard gulden. Frankrijk heeft wereldwijd 170 culturele centra waarvan vijftien puur wetenschappelijk, duizend Alliances françaises, 21 onderzoeksinstituten en betaalt vierhonderd Franse scholen in 116 landen.
Het belang van cultuurpolitiek is de laatste jaren door het wegvallen van het Ijzeren Gordijn nog toegenomen. Oost-Europa verkeert door het wegtrekken van de Sovjets in een politiek vacuüm en er liggen enorme economische kansen voor het grijpen. Sommige Polen en Tsjechen vrezen dat het Duitse culturele expansionisme dat zich vandaag in deze regio begint te ontplooien, de voorbode is van een groot Duits politiek en economisch overwicht in Oost-Europa. Frankrijk maakt hiervan gebruik. Het werpt zich bij de Oosteuropeanen op als tegenwicht tegen Duitsland.
Frankrijk is onmiddellijk na de val van de Muur razendsnel in het Oosteuropees vacuüm gesprongen. Reeds in april van vorig jaar had Parijs een "Actieplan" voor cultuurexport naar Centraal- en Oost-Europa klaar. Het budget voor cultuurexport naar dit gebied werd in één klap bijna verdrievoudigd tot 70 miljoen gulden.
"Er bestaat geen tegenstelling tussen cultuur en industrie," schreef Thierry de Beaucé, de Franse staatssecretaris van Buitenlandse Zaken bevoegd voor cultuurexport, in een officieel rapport. De Franse bedoelingen worden niet verhuld. "Ons actieplan moet de uitbreiding van onze economische relaties stimuleren," zegt de Beaucé. Daarom ook mogen zesduizend Russen naar Frankrijk komen om te worden geschoold in management. Ook de Duitsers organiseren taalcursussen en uitwisselingsprogramma's voor Oosteuropese leidende figuren.
Een groot Frans succes was vorig jaar de benoeming van een man die bijzonder veel belang hecht aan cultuur als machtspolitiek instrument, tot directeur van de internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling van Oost-Europa. Deze man, Jacques Attali, een adviseur van president Mitterrand, staat bekend als zeer anti-Amerikaans omwille van zijn afkeer voor de Amerikaanse cultuur.
Attali sprong bij de benoeming voor de Oost-Europa-bank over het hoofd van de andere kandidaat: de Nederlandse ex-minister Ruding. Zeer tot ongenoegen van de kleine EG-landen had Frankrijk het over de benoeming van Attali met Groot-Brittannië en Duitsland op een akkoord gegooid.
De manier waarop dit gebeurde toonde duidelijk aan dat, ondanks alle Europese retoriek, het de grote landen vooral te doen is om het nastreven van hun eigen nationale belangen - een les die men ook uit hun houding tijdens de Golfoorlog kon trekken.
De kleine landen, van zowel West- als Oost-Europa, zijn niet in staat tegen de expansionistische politieke, economische en culturele arrogantie van de groten op te tornen. Ze hebben een dubbele handicap: ze zijn klein en ze spreken meestal een niet-internationale taal.
Als ze wel een internationale taal spreken, zoals de Franstaligen in België, is het nog erger. Dan laten ze zich vaak cultureel op sleeptouw nemen door een grote staat. Pierre van Haute, een Franstalige Belgische oud-ambassadeur, schrijft hierover: "De culturele kruistocht waarin Parijs ons heeft meegesleept, kost ons veel, maar onze inspanningen brengen ons niets bij in vergelijking met de voordelen die Frankrijk er uit haalt."
Op kosten van de Franse gemeenschap in België en van het Belgische ministerie van Buitenlandse Zaken worden elk jaar tientallen leraren naar het buitenland gestuurd om daar de Franse taal te doceren. Volgens ambassadeur Van Haute plukt Frankrijk daarvan veel grotere vruchten dan de Belgen die ervoor betalen. "Leraren Frans zijn de effectiefste instrumenten van de export van Franse cultuur," zegt de Franse staatssecretaris de Beaucé. Maar niet alleen van de Franse cultuur. Ook van de Franse commercie en het Franse politieke gedachtengoed.
III
De onmacht van de kleine landen is echter gedeeltelijk aan henzelf te wijten. Zij doen niet aan machtspolitiek omdat zij klein zijn, maar kan je deze redenering niet omdraaien? Zijn zij niet klein omdat zij niet aan machtspolitiek doen? In Nederland, zo schreef dr S. Rozemond van het instituut Clingendael "werd cultuur als terrein van nationaal zelfbehoud nooit tot voorwerp gemaakt van aanmerkelijke zorg in de buitenlandse politiek."
Dezelfde kritiek klonk door in de brief die dr Frans C. de Rover, hoogleraar neerlandistiek aan de Vrije Universiteit van Berlijn, onlangs aan minister d'Ancona schreef naar aanleiding van de weigerachtigheid van de Nederlandse regering om de kosten te dragen in verband met het uitroepen van Nederland tot themaland op der Frankfurter Buchmesse. "Dat het Nederlandse culturele beleid in het buitenland geen naam mag hebben, is al jaren bekend en komt regelmatig - zoals nu - op een bijna folkloristische, maar daarom niet minder pijnlijke wijze in het nieuws," aldus De Rover.
Nederland is een klein land, maar zou het door de groten ook op politiek en economisch gebied niet ernstiger worden genomen als het wel, hoe bescheiden ook, aan cultuurpolitiek deed?
Als de kosten daarvoor te hoog zijn, ligt het voor de hand dat daarbij wordt samengewerkt met Vlaanderen, of zelfs met kleine niet-Nederlandstalige Europese culturen die op hun eentje ook nooit aan cultuurpolitiek kunnen doen.
De eigenheid van Europa is zijn grote culturele verscheidenheid. De kleine culturen in West- en Oost-Europa, lopen het risico door de grote onder de voet te worden gelopen. De kleine landen hebben er belang bij front te vormen tegen de grote. Iemand moet deze frontvorming van de kleintjes beginnen. Iemand moet de kleinere staten van West- en Oost-Europa samenbundelen zodat zij met één stem tot de groten kunnen spreken en er tenminste naar hun stem geluisterd zal worden.
Waarom zouden België en Nederland hier het voorbeeld niet geven door de Benelux uit te bouwen tot de nucleus van een blok van kleine en middelgrote Europese naties die de bekommernis delen samen hun onafhankelijkheid, hun culturele eigenheid en hun politieke en economische belangen te verdedigen tegen de grote naties.
Waarom, bijvoorbeeld, zetten wij in Benelux-verband geen uitwisselingsprogramma's op om, zoals de Fransen en de Duitsers, leidinggevende figuren en managers uit de kleinere landen van Centraal- en Oost-Europa naar hier te halen? Waarom geen programma's voor cultuurexport? Die moeten er dan niet zozeer op gericht zijn onze taal te verspreiden. Ze moeten de boodschap overbrengen dat het unieke van Europa juist zijn veelvoud van culturen is. Daarom kunnen we het best in Benelux-verband werken omdat er binnen deze Benelux-ruimte een veelvoud van culturen aanwezig is.
We moeten de booschap overbrengen dat er een Europa tot stand moet komen dat ook de belangen van de kleine culturen en de kleine landen dient. We moeten de kleine naties van Centraal- en Oost-Europa ervan overtuigen dat zij meer belang hebben om politieke, economische en culturele relaties aan te knopen met het blok van de kleine landen van West-Europa dan zich onder het protectoraat te stellen van een van de groten.
Als we aan culturele activiteiten zoals een Frankfurter Buchmesse geen geld willen besteden, moeten we beseffen dat dit niet alleen culturele, maar ook politieke en economische repercussies heeft. Nederland en België zullen dan, zoals we tijdens de Golfoorlog zagen, slechts de klankborden blijven van de drie grote ons omringende culturen.
15:23 Gepost door 0 | Permalink | Commentaren (2) | Email dit |
Facebook |