11-02-05
Benelux Mogelijkheden en moeilijkheden
Deze tekst uit 1999 bevat een stuk geschiedenis dat we aan onze lezers niet willen onthouden.
EEN NIEUWIGHEID?
De Nederlanden hebben een traag en langdurig eenmakingproces gekend dat zijn hoogtepunt bereikte met de oprichting van de Bourgondische Kreits op de Rijksdag te Augsburg in 1548. Alle '17' Nederlanden, ook Vlaanderen en Artesië, die vroeger van de Franse kroon afhingen, maakten van dan af collectief deel uit van het Duitse Rijk, maar de band daarmee was slechts zeer zwak. In 1549 wordt daarenboven de Pragmatieke Sanctie uitgevaardigd die door de diverse provinciale Statenvergaderingen wordt bekrachtigd. De erfopvolging wordt in alle Nederlandse gewesten op identieke wijze geregeld,zodat zij nooit meer van elkaar gescheiden zouden worden. Daarna maakt Filips II,de zoon van Karel V een reis door de Nederlanden, waarbij hij in de gewesten reeds als toekomstig heer wordt gehuldigd.
Die eenmaking was geen uitzondering. Ook Frankrijk kende een gelijkaardige groei naar eenmaking, door huwelijken, intriges, oorlogen tegen onwillige streken,enz. Wel is opvallend dat de Nederlanden op hun weg naar eenmaking, voornamelijk onder de Bourgondiërs,het met minder bloed en meer huwelijken en erfrecht (en -onrecht!) hebben gedaan dan Frankrijk. En ook zonder enig taalimperialisme.
Dit was wel aanwezig bij de vorming van het Franse Rijk. Was het niet de Franse koning Henri IV die aan de verteqenwoordigers van een pas aangehecht deel van Savoie, nl. de Bresse(1601) zegde: “Il estoit raisonnable que puisque vous parles naturellement françois vous fussiez subjects a un Roy de France. Je veux bien que la langue espagnole demeure a I'Espagnol, I 'allemande a I 'Allemand mais toute la françoise est à moi.“
Met de godsdienstoorlogen die in heel Europa woedden en vaak ook nog andere dan geloofsgronden hadden,liep het in de Nederlanden mis. Het zou duren tot 1815 om ze weer samen te brengen, maar dan vanuit politieke motieven van bepaalde grootmachten, en niet van binnen uit. Driehonderd jaar uiteengroeien zou zich dan ook in 1830 wreken.
Een diepgaande studie van de evolutie naar de Bourgondische Kreits zou elementen kunnen aanbrengen die een verre voedingsbodem vormden voor de Beneluxgedachte.
Maar het zijn eerderde scheidingsperikelen van 1830-1839 die in de loop van de 19de eeuw sommigen die op een of andere wijze met het beleid van de brokstukken van de gewezen Nederlanden te maken hadden, deden nadenken over een nieuwe vorm van samenwerking en eenmaking van de vroegere Nederlanden.
DE XIXde EEUWSE VOORGESCHIEDENIS
Zonderling genoeg begon het in een gebied dat helemaal aan de zuidoostelijke kant van die Nederlanden ligt: Luxemburg. Bij de totstandkoming van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd ook het gewezen prinsbisdom Luik er bij gevoegd, dat eeuwenlange en zelfstandige wig in het geheelwas geweest, maar niet het hertogdom Luxemburg dat van oudsher er wel bij hoorde. Waarom?
Na het Congres van Wenen gebeurde er in de Duitse gebieden een"herschikking" waarbij het graafschap Nassau aan Willem ontnomen werd. In ruil kreeg hij Luxemburg ten persoonlijken titel als een groothertogdom.
In 1818 wordt in het Duitse Keizerrijk een belasting- en tolwet uitgevaardigd. Accijnzen vervangen grenstollen en verbruiksbelastingen. Om een einde te maken aan de 38 Duitse tol systemen sticht de econoom Friedrich List in 1819 de Duitse handels- en nijverheidsbond. Uiteindelijk zullen 39 staten, waaronder ook zonderling genoeg Denemarken en Luxemburg,deel uitmaken van dit Zollverein. Het gevolg hiervan was voor Luxemburg niet uitsluitend economisch:het groothertogdom kreeg een Pruisisch garnizoen en werd door nieuwe hoge tolgrenzen van de Nederlanden afgesneden. Ook was het zijn traditionele Franse afzetmarkten kwijtgeraakt.
In 1830 heeft de juli-augustus-evolutie in Parijs vertakkingen tot in de Zuidelijke Nederlanden. Brussel roert zich – samen met Luik - en kent een opstand tegen Willem I die vrij onhandig reageert. Kortom, België wordt een apart koninkrijk onder Leopold I. En in de "Conferentie van Londen"waar dit alles wordt bedisseld, wordt Luxemburg gesplitst in een groter deel dat de Belgische provincie Luxemburg wordt en een kleiner deel dat door een personele unie (zie hoger) met Nederland verbonden bleef. Toch zou het nog negenjaar lang vanuit Arlon bestuurd worden. Want pa sin 1839 aanvaardde Willem I de 24 artikelen van oktober 1831 (Conferentie van Londen) aan te nemen. Limburg en Luxemburg werden verdeeld over de twee landen. Willem I bleef persoonlijk groothertog van het resterende Luxemburg. Nederlands Limburg en Luxemburg werden echter beide lid van de Duitse Bond.
Doch in datzelfde jaar al bood België aan het overgebleven groothertogdom een soort contingentenovereenkomst aan. Terwijl einde 1840 de handelsmogelijkheden met Nederland reeds werden verruimd.
Luxemburg nam ook het voortouw in de ontwikkeling van de idee van een vernieuwde samenwerking. Bij een bezoek van koning-groothertog Willem II in 1841 aan het kanton Luxemburg vroeg Norbert Metz niet alleen om een eigen grondwet en parlementvoor het groothertogdom, maar ook om een verdrag met België, aangevuld door een economische unie met Nederland.
Onder de nieuwe koning Willem II,die nog de hoop koesterde België met Nederland te herenigen,was er integendeel een tarievenoorlog ontstaan tussen beide landen.Op aanstoken van Antwerpen had België protectionistische maatregelengetroffen, waarop Nederland reageerde. In 1846 was het vrij onverwacht tot onderhandelingen gekomen, waarbij de Belgische uit Luxemburg stammende gezant in Den Haag, baron Willmar, een belangrijke rol speelde. Na moeizame onderhandelingen werd op 1 juli 1846 een overeenkomst bereikt. Met de herinnering in het hoofd aan het Napoleontisch avontuur, werd Europa in 1848 door de februarirevolutie in Parijs danig ongerust. Ook politiek Nederland. Het verheugde zich dan ook zeer in het feit dat België troepen concentreerde op de grens met Frankrijk.Waarop de Nederlandse regering afzag van
Een troepenconcentratie in het zuiden van het land. Leopold I meende dat dit het geschikte moment was om op een economische overeenkomst aan te dringen.De jonge staat zou dolgraag een gelijke behandeling verkregen hebben van Belgische producten in de Nederlandse koloniën. Doch het nieuw aangestelde kabinet Schimmelpenninck oordeelde dit nadelig voor het eigen land. Al zou Thorbecke het jaar nadien aan een Belgische oud-student schrijven: "Ik ben er van overtuigd, dat de eenparige overeenstemming van de beide landen een wederzijds belang is."
In 1857 was het jaar van een forse recessie,zowat de eerste wereldhandelscrisis. Rogier,toen minister van Buitenlandse Zaken, wees in economische publicaties, onder meer in de "Economiste Beige" verschenen, op de mogelijkheid de markt voor industriële productie te verruimen door een tolunie met Nederland. In zijn onderhoud hierover met de Nederlandse gezant, drukte hij ook op het politieke belang ervan, terwijl zijn bijkomend oogmerk was een ingangspoort tot de Nederlandse koloniën te vinden. Den Haag gaf algauw instructies aanzijn gezant te Brussel om deze zaak van zich af te schudden.
Toch had die recessiepositieve gevolgen. Leden van de koninklijke families verschenen op de wederzijdse ontvangsten van de gezant van het buurland. En terwijl de gespannen toestand in Europa bleef aanhouden, ondertekenden beide landen in 1863 drie verdragen: een akkoord werd bereikt over het afkopen van de Scheldetol, een ander over het water en de bevaarbaarheid van de Maas, en tenslotte een scheepvaart- en handelsakkoord waarbij het recht der meest begunstigde natie tot de koloniën uitgebreid werd.
Na 1866 koelen de betrekkingen af. Waar het Congres van Wenen van 1815 universalistisch, zegge continentaal dacht, maar dan zonder Frankrijk, groeide nu het nationalisme. De Duitse Bond iel uiteen waardoor Luxemburg zelfstandig werd. Frankrijk,dat aan expansiepolitiek deed, ambieerde Luxemburg te bezitten en stelde zelfs aan Nederland voor België onderling te verdelen.
In die tijd spiegelde Nederland zich aan Engeland en meende op gelijke voet te staan, dank zij zijn immens koloniaal rijk. Het was weinig continentaal gericht, naar het voorbeeld van Engeland,en koesterde zijn belangen overzee. Het wilde ook goede betrekkingen onderhouden met Frankrijk, en meende van Duitsland geen last te hebben, op de betrokkenheid van Limburg na bij die Duitse Bond. En België was niet al te veel aandacht waard: een samenwerking was daarenboven risicovol gezien de neutrale status van België. Kortom, de Nederlandse politieke wereld had, en zeker onder Willem III, weinig belangstelling voor de internationale politiek.
Volgt dan de Frans-Duitse oorlog in 1870. Dit was geen klimaat om aan een economische unie te denken. En daarna ontstond opnieuw een langdurige recessie die overal tot protectionistische maatregelen leidde. Deze depressie zou tot het einde van de eeuw duren.
De twintigste eeuw begon in de spanning die heerste rondom de verhouding Frankrijk-Duitsland. Meteen groeide weer de toenadering tussen België en Nederland. In oktober 1905 begon in de krant “le Petit Bleu" een reeks artikelen van Eugene Baie onder de titel "Doivent-elles s'allier?"die veel positieve reacties uitlokte vanwege Belgische zowel als Nederlandse politici. Er werd zelfs in 1907 een "Nederlandsch-Belgische Commissie ter bestudering van de economische vraagstukken rakende de belangen van beide landen" opgericht met zetel te Brussel. Veel ooraanstaande politici uit beide landen waren er lid van. Zij vergaderde jaarlijks plenair en telde verscheidene studiegroepen. De overheid erkende de verdienste van deze niet-officiële Commissie. Oorlogswolken hingen toen echter weer over Europa en vergden ieders aandacht.
In 1914 werden België en Luxemburg onder de voet gelopen door de Duitsers. In 1918 werd Luxemburg opnieuw bezet, maar nu door de Geallieerden. Economisch moest het land ergens bij een buurland aansluiten. Frankrijk wees een dergelijke vraag af, want het had de steun van België nodig om een harde politiek tegenover Duitsland te voeren. Op 25 juli 1921 werd dan een akkoord over een Belgisch-Luxemburgse economische Unie ondertekend.
In hetzelfde jaar pleitte de Belgische Eerste-Minister Carton de Wiart openlijk voor Belgisch-Nederlandse samenwerking:"La nature et la geographie ont fait de la Hollande et de la Belgique deux pays destinés à s'entendre."
Toch zouden er nog vele pogingen moeten ondernomen worden om dichter bij elkaar te komen. Heel wat verklaringen werden afgelegd en initiatieven gelanceerd, maar bleken alle eendagsvliegen te zijn.
De Volkenbond slaagde er in 1930 niet in een algemene overeenkomst over tariefverlagingendoor te drukken. Dit bracht sommige landen op de idee om onderling een poging te wagen. De Donaulanden en de Baltische staten waren hier algauw volop mee bezig. Waarop Paul Hymans, minister van Buitenlandse Zaken, in december 1931 voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers uitkwam voor een douane-unie met Nederland.
Van dan af begon de verhouding tussen beide landen te beteren. Vooral ook doordat beide landen reeds de Conventie van Oslo in december 1930 ondertekend hadden, waarvan de bedoeling was de handelsbelemmeringen te verminderen.
In 1932 was er nog een Belgisch-Luxemburgse Studiecommissie opgericht om na te gaan of een douane-unie met Nederland verwezenlijkbaar was.
Tussen 1933 en 1938 hadden nog tal van besprekingen plaats die wijzigingen aanbrachten aan oude handelsovereenkomsten of zelfs het verdrag van 1839 tot onderwerp hadden, al vonden vooral de Nederlanders dit probleem niet urgent. Hoe dan ook, dat dit ter sprake kwam, wijst er op dat men zich aan beide zijden van de grens bezon over een grotere samenwerking, al was het vaak onder de groeiende dreiging van buiten uit.
Veel van bovenstaande gegevens worden uitvoerig besproken in het inleidend hoofdstuk "Toenadering in golven. De voorgeschiedenis van Benelux" van het gedenkboek "Benelux in de kijker. 50 jaar samenwerking." van de hand van G.van Roon. Een merkwaardige studie waar wij dankbaar gebruik van gemaakt hebben.
BENELUX
In een uitgave van het Secretariaat-Generaal van de Benelux gedagtekend 1.9.1985 wordt verteld dat de naam door een Belgische econoom, F.N. Aspeslagh, uitgevonden werd. Zelf schreef hij hierover het volgende: "Ik ben inderdaad de uitvinder van de naam"Benelux" en ik zal U vertellen hoe ik ertoe kwam deze naam voor het eerst te gebruiken. Kort na de oorlog was ik Belgische correspondent voor het Engelse blad 'The Economist". De redactie en de lezers van dit blad hadden grote belangstelling voor de akkoorden van Londen die zouden leiden tot de douane-unie tussen Nederland, België en Luxemburg en voor de plannen tot oprichting van een economische unie tussen deze drie landen.
De stijl van "The Economist" stelde echter bepaalde eisen: men moest zoveel mogelijk zeggen met zo weinig mogelijk woorden. Dat was moeilijk omdat ik steeds moest spreken van de "Customs Union between Belgium, the Netherlands and Luxemburg" of soms, als de omstandigheden het toelieten, van de "Customs Union" zonder meer. Tenslotte had ik genoeg van deze redactionele gymnastiek en ik besloot een nieuw woord uit te vinden dat echter aan een aantal criteria moest voldoen. Het moest origineel zijn, in verschillende talen gebruikt kunnen worden en een soort gedachteassociatie voeren tussen deze nieuwe instellingen en de daarvoor gekozen naam. Als eerste mogelijkheid schoot mij "NEBELUX"te binnen doch na enig aarzelen veranderde ik dit in "BENELUX" omdat dat beter klonk. Maar toch was ik niet tevreden, de naam leek mij meer geschikt als merk voor een stofzuiger dan voor een geografisch begrip. Toch waagde ik het er op en gebruikte de naam voor het eerst in 'The Economist" van 6 augustus 1947. Sedertdien is de term geleidelijk ingeburgerd."
GESCHIEDENIS
De geschiedenis van Benelux begint in Londen in oktober 1943. Daar, in het Savoy-hotel, legden de Nederlander van Kleffens, de Belgen Spaak en Gutt en de Luxemburger Bech, de grondslagen van de Belgische Luxemburgse Nederlandse Douane-Unie.
Het gebeurde in dat Victoriaanse hotel waar de salons namen van operettes droegen. In 1881 ging te Londen de première door van de operette "Patience" van Sullivan. Het salon waar onze politici bijeenkwamen, heette "Patience" en dit zou ook het motto kunnen zijn voor de ontwikkeling van de gesprekken die er gevoerd werden.
In de overeenkomst van 21 oktober 1943 wordt de wisselkoerspolitiek een zaak van algemeen belang behandeld, terwijl ook spelregels voorzien worden voor de bevordering van het betalingsverkeer. Twee onmisbare elementen om tot een economische integratie te komen.
Op 5.9.44 kondigde Radio Londen aan dat België, Luxemburg en Nederland een douaneovereenkomst hadden gesloten. De bedoeling was deze onmiddellijk in werking te stellen van zohaast de drie regeringen in hun land zouden zijn teruggekeerd. Door de oorlogsomstandigheden gebeurde dit niet gelijktijdig en terwijl het economisch herstel in België en Luxemburg vrij vlot en op gelijklopende wijze van de grond kwam, was de economische toestand in Nederland, waar de bezetting en oorlog over een groot deel van het grondgebied tot mei 1945 duurde, precies daardoor veel zorgwekkender. Er gebeurde dan ook niets tot begin 1946. Toen besloten Schermerhorn, toenmalig minister-president en Spaak, minister van
Buitenlandse Zaken, tijdens een ontmoeting in Den Haag, een einde te maken aan de aarzelingen van de voorbije maanden. Prof.Schermerhorn wilde zelfs de opbouw van Europa zien vanuit een Lage-Landen-Kern en een begin maken met het oprichten van een deelfederatie – de Benelux – die uiteraard de federatieve vereniging van Europa zou bevorderen.
De douaneovereenkomst werd in de zomer van 1947 door de drie parlementen goedgekeurde en op 1.1.1948 trad zij in werking.
Van de ene dag op de andere werd het Benelux-handelsverkeer vrijgesteld van douanerechten en werd een gemeenschappelijk tarief van kracht (een compromis tussen het vooroorlogs tariefsysteem van Nederland en dat van de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie) voor het handelsverkeer met derde landen. De bedoelingwas echter veel ruimer, maar ook veel complexer,namelijk de oprichting van een economische unie.
Van 1948 tot 1958 werd grondig gewerkt om tot een economische samenwerking te komen. Het was een tasten en zoeken, een uitvinden, want dergelijke economische toenadering had toen nog geen enkel precedent waaruit enige lering kon gehaald worden, tenzij de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie (BLEU) die in 1921 ontstaan was.
BENELUX,EEN TWEETRAPSRAKET of
DE BLEU,voorloper van BENELUX.
Door de definitieve splitsing van het hertogdom Luxemburg na 1839 werd het Groothertogdom Luxemburg geboren en werd het in een personele unie met de Nederlandse kroon verbonden.
In februari 1867 onderhandelde Willem III met keizer Napoleon III over de verkoop van Luxemburg. Dit wekte ontstemming bij Bismarck en leidde tot een internationale crisis De Luxemburgse kwestie werd uiteindelijk in een conferentie te Londen geregeld, en op 11 mei 1867 werden Luxemburg en Limburg vrijgemaakt van de Duitse Bond. De neutraliteit van Luxemburg wordt door de grote mogendheden en ook door Nederland gegarandeerd. De jonge Belgische Staat werd hier volkomen buiten gelaten.
Na de Eerste Wereldoorlog ging het Groothertogdom Luxemburg op zoek naar een partner waarmee het een groter economisch geheel kon vormen.
In 1919 bleek bij referendum een grote meerderheid te vinden voor Frankrijk,maar dit land wees het aanbod beleefd af.Daarop wendt Luxemburg zich tot België en zo ontstond in 1921 de BLEU,die voor 50 jaar werd afgesloten en daarna stilzwijgend werd verlengd telkens voor een periode van 10jaar. In 192I was de wetgeving niet zo uitgebreid en ingewikkeld als thans, en werd er dus ook niet gedacht aan een algehele beleidsharmonisatie. Toch treft men in de toenmalige overeenkomst bepalingen aan die een aanzetvormen voor het latere Benelux-verdrag van 1958, zoals:
de opheffing van de douanebarrières tussen de aangesloten landen;
het gebruiken van gelijke douanerechten en accijnzen t.a.v. derde landen;
vrij personen verkeer en vrije vestiging;
het gemeenschappelijk afsluiten van handelsakkoorden en andere economische akkoorden.
Naast of na die oorspronkelijke trekken van een gemeenschappelijke markt, zijn er sindsdien andere regelingen bijgekomen die verruimend werkten, of de bedoeling hadden de Unie aan te passen aan steeds wijzigende internationale structuren.
Speciale aandacht verdient beslist de monetaire verhouding tussen beide landen. Sedert 1921 houden beide landen een gemeenschappelijke monetaire reserve aan goud en deviezen, die wordt beheerd door de Nationale Bank van België en het Belgisch Luxemburgs Instituut voor de Wissel. Sedert 20.5.1983 beschikt Luxemburg over een eigen monetair instituut, dat o.a. tot taak heeft munten en bankbiljetten uit te geven en toezicht te houden op de omloop ervan. Naast Belgisch geld zijn in het Groothertogdom tevens bankbiljetten in omloop die worden uitgegeven door de Caisse d'Epargne de 1'Etat en de Banque Internationale du Luxembourg. Dit geld is geen wettelijk betaalmiddel in België. Sedert 1944 hebben de Belgische en Luxemburgse frank dezelfde waarde. Het was dan ook begrijpelijk dat de BLEU dreigde uiteen te vallen toen de regering Martens in 1982 de BEF devalueerde zonder Luxemburg hierin te kennen. De oprichting in 1983 van het bovenvermelde Monetair Instituut in Luxemburg is hier ook niet vreemd
aan.
De BLEU was dus het enige bruikbare voorbeeld in 1944 en later. Van Nederlandse zijde was het gegeven echter gans nieuw waar België-Luxemburg dan toch al 25 jaar ervaring achter de rug hadden.
En zo eenvoudig is een tolunie ook niet. Zij betekende de afschaffing van douanetarieven aan de binnengrenzen en de instelling van gemeenschappelijke douanetarieven. Er moest een afgestemde aanpak bedacht worden vanuit douanetechnisch oogpunt die zou leiden tot een volledig vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitalen voor eigen verbruik of in transit.
In de beginjaren zeventig werd gewerkt aan het wegnemen van administratieve handelsbelemmeringen, uit hoofde van gezondheid, veiligheid, kwaliteitsvereisten, enz. Vergelijk met Groot-Brittannië: je mag er niet naartoe met een hond of hij moet speciaal ingeënt worden. Zoniet wordt quarantaine opgelegd.
Zo werd op 29 april 1969 een Protocol "Belemmeringen" ondertekend dat op 29 januari 1971 in werking trad: afschaffing van de bestaande belemmeringen en verplaatsing van de controle naar het binnenland. In de tweede plaats werd binnen de Regeringsconferentie van 1969 overeengekomen dat de grensformaliteiten ten gevolge van de BTW. op I juli 1971 zouden worden afgeschaft. Deze formaliteiten werden verlegd naar het binnenland; bij het passeren van de grens werd volstaan"met het opvragen van een kopie van de handelsfactuur. Ten derde werd in 1971 de Overeenkomst inzake de eenmaking van het Benelux-douanegebied van kracht. Daardoor werd op douanetechnisch gebied dezelfde wetgeving in heel de Benelux ingevoerd. Dus vanaf 1972 werd bij de overgang van de binnengrens geen controle van de ladingen meer verricht, enkel nog afgifte van documenten en een nazicht daarvan vonden plaats.
TERUGNAAR DE GESCHIEDENIS
Benelux startte dus zoals de BLEU met een douane-unie, maar de drie landen streefden er ook meteen naar het handelsverkeer stap voor stap te liberaliseren.
Precies aan het einde van het eerste decennium van het bestaan van de Benelux doet zich een nieuw feit voor waarbij Benelux de rol vervulde van voortrekker, en sterker nog van promotor van de Europese integratie. Na te hebben meegewerkt aan de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal namen de Benelux-regeringen het initiatief tot de conferenties van Messina, Hertoginnedal en Rome,die in de jaren 1955-1957 hebben geleid tot de totstandkoming van de EEG.
In zijn "Mémoires" schreef Jean Monnet over de Conferentie te Messina in 1955: "In Messina namen de Ministers als basis voor hun akkoord het memorandum van de Benelux en hadden zij enkel de tijd om dit hier en daar naar de vorm af te zwakken." Wij kunnen derhalve gerust stellen dat die Benelux-unie in wording, gedurende die 10 jaar het toenmalige Europa der zes de weg wees, zonder hem zelf al grondig verkend te hebben.
Is het misschien daarom, en om over een bepaalde bewegingsvrijheid te kunnen blijven beschikken, dat de grondleggers van Benelux, de wijze voorzorg namen om in het Verdrag van Rome van 25.3.1957 het artikel 233 te doen opnemen:
"De bepalingen van dit verdrag vormen geen beletsel voor het bestaan en de voltooiing van de regionale unies tussen België en Luxemburg, alsmede tussen België, Luxemburg en Nederland, voor zover de doelstellingen van die regionale unies niet bereikt zijn door de toepassing van dit verdrag."
De grootste zorg van onze vertegenwoordigers was toen dus wel de toekomst van het kleine Europa dat BENELUX was, veilig te stellen. Of dachten zij bij het overschouwen van de geschiedenis van de Nederlanden aan Vergilius: "Mijn territorium is klein, maar mijn roem is groot."? Of nog aan een uitspraak in 1963 van Eerste-Minister Théo Lefèvre: "In West Europa bestaan alleen maar kleine landen, zij die dat van zichzelf weten, en zij die dit nog niet weten."?
Want na de oprichting op 1.1.1958 van de E.E.G der Zes, werd op 3.2.1958 overgegaan tot de ondertekening van de BENELUX-Economische Unie, verdrag dat op 1.1.1960 in werking moest treden.
Wat houdt dit Benelux-verdrag feitelijk in?
De drie landen willen komen tot vrij verkeer van personen, goederen, kapitalen en diensten. Dit vereist een coördinatie van het economische, financiële en sociale beleid binnen de drie landen, en naar buiten het aanvaarden en voeren van een gemeenschappelijk beleid in de economische betrekkingen met derde landen, en inzake de daarmee verband houdende betalingen. Uiteindelijk betekent dit alles dat regeringen bereid zijn afstand te doen van een deel van hun nationale autonomie. Dit kan wel gauw in woorden en bedoelingen vastgelegd worden, het wordt echter moeilijker in de uitvoering en in de feiten.
De BENELUX-partners die - althans België en Luxemburg – reeds 35 jaar ervaring achter de rug hadden, wisten het maar al te goed en vermoedden zelfs dat de grootse aanpak van de E.E.G. wel eens verlammend zou kunnen uitvallen, ook voor het kleinere BENELUX.Het reeds aangehaalde artikel 233 is hiervan zo illustrerend dat het de moeite loont het nog eens onder ogen te nemen, met speciale aandacht voor een gebruikte term waaruit blijkt dat de BENELUX-onderhandelaars bereid waren zeer ver te gaan in het afslanken van hun autonomie: "De bepalingen van dit verdrag vormen geen beletsel voor het bestaan en de voltooiing van de regionale unies tussen België en Luxemburg, alsmede België, Luxemburg en Nederland, voor zover de doelstellingen van die regionale unies niet bereikt zijn door de toepassing van dit verdrag." De BENELUX-partners wisten al uit eigen ervaring hoe lang het kan duren eer woorden en bedoelingen in daden omgezet raken.
Nu heeft het er in de laatste jaren naar uit gezien alsof BENELUX overvleugeld raakte door de E.E.G., ja zelfs overbodig leek, en dan ook zijn slagvaardigheid verloren had.
Het is inderdaad meermalen gebeurd dat de BENELUX-instanties bepaalde studies of initiatieven niet verder meer uitwerkten, omdat de E.E.G. er toch werk ging van maken op Europees niveau. Het is ook herhaalde malen gebeurd dat BENELUX die studies of initiatieven opnieuw ter hand nam, nadat vastgesteld was dat de E.E.G. geen vooruitgang boekte en in haar plechtige verklaringen bleef steken. Een paar voorbeelden: een vijftiental jaren geleden was er een BENELUX-overleg inzake de intra-BENELUX-handel en de invoer van dierlijk sperma aan de gang. Dit werd stopgezet omdat men voorzag dat de E.E.G. hieromtrent een richtlijn zou uitvaardigen. De E.E.G. liep hier echter op vast en het probleem werd onmiddellijk opnieuw door BENELUX ter hand genomen. Een ander voorbeeld was de invoering door de BENELUX van de nog niet operationele E.E.G.-lijst van landen van waaruit de landen van de E.E.G. vee en vlees mochten invoeren.
Soms komt het ergerlijk over dat België bv. bij de koplopers is in de E.E.G.voor wat betreft de toepassing
van een of andere van haar aanbevelingen of verordeningen. Een zevental slachthuizen in ons land kunnen hier ellenlange verhalen over opdissen.
Vanwaar komt die overdreven ijver die soms aan de dag gelegd wordt door sommige van onze politici?
Het is onmiskenbaar dat het bestaan van BENELUX sommige E.E.G.-verantwoordelijken en ambtenaren niet gelukkig maakt. Zij staan tegenover andere landen die in feite niets van hun autonomie willen afstaan, al hebben deze het E.E.G.verdrag ondertekend. Met het elan dat de BENELUX in zijn eerste decennium had verworven, kan het niet anders of het moet in zijn verdere ontwikkeling af en toe in botsing komen met de E.E.G.-ontwikkeling die uiteraard veel logger en administratiever verloopt dan de kleinschaligere, maar vooral soepelere ontwikkeling van BENELUX.Veel verordeningen van de E.E.G. handelen over zaken die reeds hun beslag kregen binnen de BENELUX. Teneinde het goede partnership binnen de E.E.G. te bewijzen, willen sommige politici van ons land dan wel eens iets te vlug verordeningen en richtlijnen van de E.E.G. involgen terwijl andere landen, die er dikwijls zelf mee afkwamen,er nog mee talmen.
Inmiddels laten onze politici meer momenten voorbijgaan waarin zij de BENELUX als model zouden kunnen stellenvoor de E.E.G. Hoe dikwijls hebben zij bijvoorbeeld in de E.E.G. gewezen op de spaarzame wijze waarop Benelux werkt? In 1998 ging dit met een begroting van 200 miljoen of 7,6 BEF per hoofd van de bevolking van BENELUX. De E.E.G. kostte ons in 1984 reeds 2.058 BEF per hoofd! En voor 1999 is de Belgische bijdrage uit de algemene uitgavenbegroting aan de Europese Unie 47.199,8 miljoen BEF!of ongeveer 4700 BEF per hoofd.
Soms kwam BENELUX zelfs als een dreiging bij de E.E.G.over.Zo moet het voor de ambtenaren van de E.E.G een zware dag geweest zijn toen op 1.7.1984 BENELUX het zgn. enige document invoerde.Hiermee worden de wachttijden aan de binnengrenzen nog verder ingekort, aangezien al de nog resterende formaliteiten voor BTW,statistiek en deviezencontrole voortaan kunnen worden vervuld d.m.v. één enkel uniform administratief document, met slechts 16vakjes.Het wordt afgegeven aan het grenskantoor van het invoerende land, waar de waarneming en de controle mede voor het uitvoerende land worden verricht.
Het comité van Ministers van de BENELUX dat deze beslissing pas op 17.10.1983 trof, was er zich wel van bewust dat het om een grote innovatie ging. Trouwens de belangstelling die bepaalde Europese lidstaten hiervoor vertoonden, vooral Frankrijken Duitsland, wees er op.
Waarom zoveel woorden besteed aan één formulier? Precies omdat het de aspiraties van de E.E.G. belichaamt. Dit document n° 50 vervangt een 70-tal formulieren die even zoveel getuigenissen waren en zijn van de uitdrukking van de nationale autonomie en van de machtsontwikkeling van de administraties' van de betrokken landen.
Drie buurlanden komen er toe op zeer korte tijd deze vereenvoudiging door te voeren. Hun buurlanden Duitslánd en Frankrijk kijken meer dan belangstellend uit naar een eerste evaluatie na een half jaar praktijk. Straks volgen zij het BENELUX-voorbeeld en zullen de vijf centraal gelegen landen binnen de E.U. éénzelfde uniek document kennen, dat van die landen een gesmeerde draaischijf voor het handelsverkeer zou maken. En dan nog wel zonder E.U., maar alweer op initiatief van de drie BENELUX-landen.
Tegenover het feit dat BENELUX voor de E.E.G. toonaangevend en vooruitlopend was met de invoering van dit enig document, is er een schaduwzijde te melden, namelijk de accijnspolitiek. Al sinds het begin van BENELUX,is via een in 1950 ondertekende overeenkomst getracht de accijnstarieven van de partnerlanden gelijk te doen lopen. Hier werd slechts een zeer beperkte uitvoering aan gegeven:een geünificeerde accijns op wijn en schuimwijn, waardoor deze producten zonder grensformaliteiten over het BENELUX-gebied kunnen worden gevoerd. Een uitzondering geldt evenwel voor Luxemburgse wijn, waarop bij binnenkomst in België en Nederland een aanvullende accijns wordt geheven.
In 1969 werd de politieke wil nogmaals bevestigd om voor accijnsgoederen alle formaliteiten aan de binnengrenzen af te schaffen en in '70 en '72 werden twee nieuwe overeenkomsten ondertekend, maar deze zijn nooit in werking getreden. Accijnsgoederen blijken in de BLEU,' de BENELUX en de E.G. de kluif te zijn waarin men zich hardnekkig vastbijt. Zo is het fameuze document 50 dan toch niet het enige document wanneer accijnsgoederen binnen de BENELUX verhandeld worden. En kijk maar naar de accijnspolitiek die o.m. door België gevoerd wordt op de olieproducten. Een accijnsverhoging voor benzine en dieselolie om het begrotingsdeficit te verkleinen, is sedert jaren een vrij gekend gebruik.
Wel wordt periodiek op hoger niveau herhaald dat men naar de eenmaking van de accijnzen moetstreven. In het verslag van de drie regeringen aan de Raadgevende Interparlementaire BENELUX-raad, dat handelt over de periode van 1.7.1983 tot 30.6.1984, werd opnieuw gezegd dat het "overleg inzake het opstellen van een prioriteitenlijst van de met het oog op toenadering of harmonisatie van accijnstarieven in aanmerking te nemen producten 'niet kon' voortgezet worden. Deze besprekingen zullen later worden
hervat".
Kom,laten wij dit accijnsgeval ten aanzien van de totale problematiek als een schoonheidsvlek beschouwen op het gelaat van de BLEU dat na haast 80 jaar heel rijpe trekken vertoont en waarvan BENELUX in zijn meer dan 5O-jarig bestaan veel van geleerd heeft.
Maurits DUYCK
In: Kenmerk-L’Accent nr. 135, oktober-november 1999
14:47
Gepost door 0
Permalink
| Commentaren (0)
| Email dit
|
Facebook
|
Post een commentaar