21-11-05
Naar een nieuwe Benelux
S.W. Couwenberg
Internationale Spectator, mei 2005,
Nu het Benelux-verdrag van 1958 dat in 1960 in werking getreden is binnen afzienbare tijd afloopt, staan de drie Benelux-landen voor de keuze dat verdrag op te zeggen, ongewijzigd te laten doorlopen of een nieuw verdrag te sluiten met een nieuwe oriëntatie. Gezien de institutionele veranderingen die zich in de Belgische staatsstructuur sinds 1958 voltrokken hebben, is een ongewijzigde voortzetting van het verdrag niet langer een reële optie. Evenmin is dat een eventuele opzegging ervan, gezien het grote economische en politieke potentieel dat inmiddels in de Benelux voor handen is evenals een belangrijk netwerk van contacten dat vraagt om voortzetting en verdere intensivering.De vraag is dus: hoe verder met de Benelux na 2010?
Dat de Benelux een belangrijke functie kan en moet blijven vervullen is ook het oordeel van het Comité van Ministers van de Benelux. Maar hoe die functie inhoud en vorm te geven na 2010? Daarover wordt nog te weinig serieus nagedacht en gediscussieerd. In economisch opzicht is de Benelux door de Europese integratie grotendeels achterhaald. Wel valt nog het een en ander te doen inzake verdieping van de eigen interne markt, intensivering van grensoverschrijdende samenwerking, eenmaking van het recht, en overleg op het terrein van justitie, politie, immigratie en dergelijke, al gaat de Europese Unie zich met dat laatste nu ook intensiever bezig houden. Of wat nu nog rest aan taken voldoende is voor een nieuw Benelux-verdrag, is echter de vraag.
Dankzij de Europese integratie is de oude territoriale machtsstrijd in Europa verdwenen. Maar daar is een andere machtsstrijd voor in de plaats gekomen, de strijd namelijk voor handhaving of versterking van de eigen machtspositie in Europese instellingen en bij onderhandelingen over concrete dossiers. Dat bij een zich verder uitbreidende EU de Benelux-landen in Europees verband meer en meer aan politieke invloed inboeten, wordt algemeen ingezien. Hoe die tendens te pareren is derhalve een vraag die zich meer en meer opdringt. We kunnen die tendens pareren door wisselende allianties met gelijkgestemde lidstaten te sluiten, maar ook door regionale coalities te vormen van meer duurzame aard. In een manifest dat onlangs is aangeboden aan de voorzitter van de interparlementaire Benelux-raad, wordt in verband hiermede een lans gebroken voor de ontwikkeling van de Benelux tot een politiek samenwerkingsverband dat er doelbewust naar streeft in de EU in principe als politieke eenheid op te treden, daarbij voortbouwend op de traditie van overleg en consensus die in de Benelux-landen sinds lang deel uit maakt van de heersende politieke cultuur. Die politieke krachtenbundeling is nodig om een tegenwicht te scheppen tegen de intrinsieke neiging van grote lidstaten bij de Europese besluitvorming hun wil door te zetten en dat zo nodig te doen door intergouvernementele afspraken met elkaar te maken en de kleine lidstaten zodoende voor het blok te zetten. Nog vóór de ondertekening van de Europese Grondwet hebben de vijf grootste lidstaten van de EU een groep apart gevormd (de G5) als een soort directoraat dat erop uit is de besluitvorming in goede, d.w.z. eigen banen te leiden. Ik voeg hier nog aan toe dat met het in werking treden van de Europese Grondwet de invloed van de zes grootste lidstaten (Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Italië, Spanje en Polen) aanzienlijk zal toenemen met als gevolg dat zij nog minder dan nu met de belangen van de kleinere lidstaten rekening hoeven te houden. In die grondwet wordt namelijk gebroken met het huidige stemsysteem in de Raad van Ministers. Het stemgewicht van de lidstaten wordt onder die Grondwet voortaan rechtsreeks gebaseerd op hun bevolkingsaantal. De gekwalificeerde meerderheid komt dan te liggen bij 65% van de totale Uniebevolking. En juist genoemde grote lidstaten maken nu al 74% van de Uniebevolking uit. De opwaardering in die Grondwet van de Europese Raad van regeringsleiders tot een formele instelling van de Unie die de Raad van Ministers bindende aanwijzingen kan geven, leidt voorts tot verdere versterking van het intergouvernementele element en dus tot verzwakking van de communautaire methode, dus de besluitvorming via Europese Commissie, Europees Parlement en Raad, waar kleinere lidstaten het meeste baat bij hebben. Een politieke Benelux-unie kan tegenover die ontwikkeling een belangrijke rol vervullen door zich in te zetten voor de handhaving en verdere uitbouw van de communautaire methode. Zodoende kan zij in het Europese machtsspel waken over de positie en belangen van de kleine lidstaten en een dam opwerpen tegen de neiging van grote lidstaten tot het voeren van een
verdeel-en-heers-politiek. Als voorloper en voortrekker van Europese integratie ligt hier voor de Benelux een nieuwe taak waaraan een nieuw elan te ontlenen valt.Als in 2014 krachtens de Europese Grondwet de lidstaten het recht verliezen een eigen lid voor de Europese Commissie voor te dragen, is dat ook alleszins reden voor de Benelux-landen om met het oog daarop de handen in elkaar te slaan en te streven naar een Europese Commissaris namens de Benelux. De interparlementaire Benelux-raad heeft in 2002 zelf reeds een lans gebroken voor het openen van gemeenschappelijke ambassades. Ook dat is een interessant punt van politieke samenwerking. Over meer strategische onderwerpen van buitenlandspolitieke aard bestaan vooralsnog veel onderlinge fricties zoals de afgelopen jaren gebleken is. Maar de komende jaren kan er te dien aanzien veel veranderen. Als het al niet lukt politieke samenwerking als juist bedoeld tussen drie buurlanden van de grond te krijgen, hoe zal dat dan kunnen lukken tussen 25 en meer lidstaten?Tot dusver is nog betrekkelijk weinig denkwerk verricht inzake de toekomst van de Benelux. Wel is in de beleidsnota van de Vlaamse regering, getiteld: "Buitenlands beleid en internationale samenwerking voor de periode 2004-2009" een wetenschappelijk onderzoek aangekondigd naar de vraag hoe de Benelux als instrument en als bondgenootschap binnen een inmiddels verder verruimde Europese Unie optimaal kan worden ingezet op die gebieden waar Vlaanderen juridisch bevoegd is. Dat onderzoek dat inmiddels is uitbesteed aan een viertal universiteiten zal duidelijk moeten maken of en zo ja hoe een verruimd Benelux-verdrag voor Vlaanderen een meerwaarde kan bieden naast de reeds bestaande bilaterale samenwerkingsverbanden. Blijkens het regeerakkoord van de Vlaamse regering 2004-2009 streeft Vlaanderen namelijk naar grotere regionale betrokkenheid bij de voortzetting van de Benelux.Dat is inderdaad een nieuw aspect waarop ook van Nederlandse regeringszijde op de derde Belgisch-Nederlandse conferentie op 28 oktober jl. gewezen is. Nauwere politieke samenwerking in de Benelux vergt derhalve niet alleen intensievere contacten met de Belgische federale regering, maar ook met de Vlaamse en Waalse regering en het Brussels Hoofdstedelijke Gewest. Een hernieuwd Benelux-verdrag moet uiteraard behalve voor Vlaanderen ook een meerwaarde bieden voor Wallonië en het Brussels Hoofdstedelijke Gewest.
De auteur is directeur/hoofdredacteur van Civis Mundi en oud-hoogleraar staats- en bestuursrecht. Namens het initiatiefcomité 'Naar een nieuwe Benelux' heeft hij onlangs tijdens een zitting van de interparlementaire Beneluxraad in Den Haag een manifest aangeboden waarin de toekomst van de Benelux aan de orde gesteld wordt. Bovenstaand artikel is daarvan een neerslag.
10:38
Gepost door 0
Permalink
| Commentaren (5)
| Email dit
|
Facebook
|
15-11-05
Benelux bestaat niet meer
Onderstaande tekst lazen we in JOURNAAL (nr. 458), de nieuwsbrief van Mark Grammens, van 10 november 2005.
BENELUX BESTAAT NIET MEER
Dat heeft een niet nader genoemde Belgische topdiplomaat gezegd aan Le Soir (28.10.05). Er staat: "Le Benelux est mort" (Benelux is dood). Volgesn de diplomaat bestaan er vrijwel geen contacten meer tussen België en Nederland. De Benelux-bijeenkomsten die tot hiertoe steeds voorafgingen aan belangrijke Europese vergaderingen, zijn een stille dood gestorven onder Verhofstadt. Alleen met Luxemburg worden dit soort contacten nog voortgezet, niet meer met Nederland. Er bestaat ook geen onderlinge solidariteit meer. België heeft zich bijvoorbeeld radicaal gekant tegen een Nederlands verzoek om zijn financiële bijdrage aan "Europa" te mogen verminderen, hoewel men weet dat de overdreven hoge Nederlandse bijdrage, destijds toegezegd door Lubbers, een groot aandeel heeft gehad in de overwinning van de neen-stemmers tegen de Europese grondwet.
Het is jammer dat hiervoor in Vlaanderen zo weinig belangstelling bestaat. Het lijkt er wel op dat ook Vlaanderen de Benelux heef topgegeven. In ieder geval onderneemt het autonome Vlaanderen niets om de Belgisch-nederlandse samenwerking weer op gang te brengen. In de jongste "Strategienota" van de Vlaamse regering wordt wel gepleit voor een nauwere samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland, maar dit slaat uitsluitend op zaken waarvoor de Vlaamse regering bevoegd is, en dus niet op het buitenlands beleid, dat een Belgische bevoegdheid blijft. Minister Bourgeois, die het buitenlands beleid bepaalt, wenst ongetwijfeld de band met Nederland te versterken, maar of hij en de regering waarvan hij deel uitmaakt, hiervoor een conflict met de regering-Verhofstadt zullen willen riskeren, is zeer de vraag. Voor een deel wordt het vrijwel volledig opgeven van de Benelux door België gezien als een wraakoefening voor de weigering van de Nederlandse regering om de kandidatuur van Verhofstadt voor het voorzitrterschap van de Europese Commissie krachtig te steunen. Gevreesd moet worden dat zolang "paars" aan het bewind is in België, de Vlaamse regering de contacten met Nederland niet zal kunnen uitbreiden tot de internationale politiek, maar deze integendeel zal moeten beperken tot taalpolitiek en cultuur.
10:40
Gepost door 0
Permalink
| Commentaren (0)
| Email dit
|
Facebook
|
14-11-05
Cultuurbeleid is effectief instrument voor machtspolitiek

Doen kleine landen niet aan machtspolitiek omdat ze zo klein zijn? Of zijn ze zo klein omdat ze niet aan machtspolitiek doen? Voor dat laatste valt veel te zeggen, meent de Vlaamse journalist Paul Belien. En dan moet machtspolitiek vooral niet alleen in traditionele termen worden opgevat. Zonder effectief cultuurbeleid zijn Nederland en België gedoemd klankborden te blijven van de grote ons omliggende culturen.
I
De Frankfurter Buchmesse en de Golfoorlog hebben, behalve het feit dat er op de volgende Messe boeken over de Golfoorlog te vinden zullen zijn, op het eerste zich weinig met elkaar gemeen. Men kan er evenwel lessen uit trekken over machtspolitiek - een discipline waarin Nederlanders (en Belgen) weinig beslagen zijn.
Het Verenigd Europa was een van de grote verliezers van de Golfoorlog. Het gaf blijk van zijn onmacht toen de Europese Gemeenschap er niet in slaagde een gezamenlijke politieke positie in te nemen. De "grote drie" van de EG - Groot-Brittannië, Duitsland en Frankrijk - namen uiteenlopende posities in.
De Britten zaten op één lijn met de Amerikanen. De Duitsers stelden zich neutralistisch op. De Fransen waren omwille van hun goede Arabische relaties gekant tegen een oorlog maar schaarden zich, toen die eenmaal onvermijdelijk geworden was, loyaal achter de geallieerden. Ze wilden immers na de oorlog medezeggenschap bij het uittekenen van de nieuwe internationale orde.
De kleine EG-landen reageerden even verdeeld als de groten. Italië zat op de Franse lijn, Denemarken op de Duitse en Nederland op de Angelsaksische. Spanje wijfelde tussen de Franse lijn en een neutraliteit ingegeven door specifieke Spaanse belangen in Noord-Afrika. België werd heen en weer geslingerd tussen de Franse en de Duitse lijn - de Franse overheerste in Wallonië, de Duitse in Vlaanderen. Het resultaat was een typisch Belgisch compromis waarmee je alle kanten op kon.
Een vergelijking tussen de Belgische en de Nederlandse houding in de Golfoorlog toont de opvallende parallel tussen culturele en politieke invloedssferen. Nederland leunt cultureel van oudsher sterk aan tegen de Angelsaksische wereld. Het was in het Golfconflict een trouwe bondgenoot van Amerikanen en Britten.
België probeerde de Duitse en de Franse houding met elkaar te verzoenen. Het land bestaat immers uit twee grote culturele blokken, Vlaanderen en Wallonië, die cultureel-intellectueel sterk aanleunen tegen respectievelijk Duitsland en Frankrijk.
Wanneer er in België onenigheid is over buitenlandse politiek vind je de tegenstelling tussen Franse en Duitse gedachtenstromingen vaak terug in de tegenstelling tussen Walen en Vlamingen. De Franstalige Walen zijn sterk op Frankrijk gericht. De Vlamingen hebben zich vanaf het begin van hun ontvoogdingsstrijd op het eind van vorige eeuw sterk op Duitsland georiënteerd.
In de rakettenkwestie zes jaar geleden stonden de Waalse socialisten zeer dicht bij de Franse PS. Links Frankrijk was voorstander van een sterke Westeuropese defensie. Links Wallonië ook. Er waren in Franstalig België, ook bij links, nagenoeg geen pacifisten. Die vond je daarentegen wel in Vlaanderen. De socialisten zaten er helemaal op de lijn van de Duitse SPD. De Groenen helemaal op de lijn van de Duitse Grünen.
De Nederlandse socialisten waren ook tegen de raketten, maar refereerden daarbij eerder aan het Britse Labour dan aan de Duitse SPD.
In de Golfoorlog waren de Nederlandse socialisten, net als de Britse, veel minder tegen de oorlog gekant dan de Vlaamse en de Duitse. Zelfs "rechtse" Vlaamse intellectuelen, zoals Manu Ruys en Mark Grammens, zaten in het Golfconflict op de Duitse neutralistische lijn. De pleitbezorgers van een groter aandeel in de Golfoorlog moest je in Wallonië en Franstalig Brussel zoeken.
II
Men mag het belang van cultuur als machtpolitiek instrument dan ook niet onderschatten. Grote landen doen dit ook niet. Zij gebruiken cultuur allemaal als een middel om hun politieke en economische doelstellingen te dienen. Ze hechten er dan ook bijzonder groot belang aan. De verantwoordelijken van de British Council in het buitenland hebben een Brits diplomatiek statuut. Het Duitse Goethe-Institut heeft 155 culturele instellingen in 73 landen.
De Spaanse regering trok vorig jaar honderdtwintig miljoen gulden uit om in het buitenland zeventig Cervantes-instituten op te richten om de kennis van de Spaanse taal en cultuur te bevorderen. "Er bestaat geen buitenlands beleid zonder cultuurbeleid," verklaarde de Spaanse minister van Buitenlandse Zaken, Francisco Fernandez Ordonez bij de lancering van het Cervantes-plan.
Er is in West-Europa echter geen land dat zo veel belang hecht aan zijn buitenlandse politiek als Frankrijk. Dit land hecht van allemaal eveneens het grootste belang aan zijn culturele uitstraling. Beide bepalen de grandeur van Frankrijk in het buitenland.
Het gaat Parijs in zijn cultuurpolitiek niet in de eerste plaats om de Franse cultuur, zelfs niet om de Franse taal. Het gaat allereerst om de versterking van de Franse politieke en economische belangen. In de marge van regelmatig georganiseerde topontmoetingen van regeringsleiders uit Franstalige landen is er altijd een congres van zakenlui. Opvallend daarbij is steeds de grote vertegenwoordiging van Franse industriëlen uit de communicatiesector (Alcatel, Bull, Matra, enzovoort).
De Fransen willen zich verzekeren van hun toekomstige politieke aanwezigheid in hun voormalige Afrikaanse kolonies door er de positie van hun taal als lingua franca te bestendigen. De communicatiesector - satellieten, televisie, radio, computers - is daarbij van levensbelang.
In Indonesië was het mogelijk dat het Engels er het Nederlands als belangrijkste Europese taal verving. De voormalige Franse kolonies zullen een dergelijke overstap niet maken. Daar zorgt Parijs wel voor. Het is bereid daarvoor veel geld te betalen.
De totale Franse begroting voor cultuurexport bedraagt 2,5 miljard gulden. Frankrijk heeft wereldwijd 170 culturele centra waarvan vijftien puur wetenschappelijk, duizend Alliances françaises, 21 onderzoeksinstituten en betaalt vierhonderd Franse scholen in 116 landen.
Het belang van cultuurpolitiek is de laatste jaren door het wegvallen van het Ijzeren Gordijn nog toegenomen. Oost-Europa verkeert door het wegtrekken van de Sovjets in een politiek vacuüm en er liggen enorme economische kansen voor het grijpen. Sommige Polen en Tsjechen vrezen dat het Duitse culturele expansionisme dat zich vandaag in deze regio begint te ontplooien, de voorbode is van een groot Duits politiek en economisch overwicht in Oost-Europa. Frankrijk maakt hiervan gebruik. Het werpt zich bij de Oosteuropeanen op als tegenwicht tegen Duitsland.
Frankrijk is onmiddellijk na de val van de Muur razendsnel in het Oosteuropees vacuüm gesprongen. Reeds in april van vorig jaar had Parijs een "Actieplan" voor cultuurexport naar Centraal- en Oost-Europa klaar. Het budget voor cultuurexport naar dit gebied werd in één klap bijna verdrievoudigd tot 70 miljoen gulden.
"Er bestaat geen tegenstelling tussen cultuur en industrie," schreef Thierry de Beaucé, de Franse staatssecretaris van Buitenlandse Zaken bevoegd voor cultuurexport, in een officieel rapport. De Franse bedoelingen worden niet verhuld. "Ons actieplan moet de uitbreiding van onze economische relaties stimuleren," zegt de Beaucé. Daarom ook mogen zesduizend Russen naar Frankrijk komen om te worden geschoold in management. Ook de Duitsers organiseren taalcursussen en uitwisselingsprogramma's voor Oosteuropese leidende figuren.
Een groot Frans succes was vorig jaar de benoeming van een man die bijzonder veel belang hecht aan cultuur als machtspolitiek instrument, tot directeur van de internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling van Oost-Europa. Deze man, Jacques Attali, een adviseur van president Mitterrand, staat bekend als zeer anti-Amerikaans omwille van zijn afkeer voor de Amerikaanse cultuur.
Attali sprong bij de benoeming voor de Oost-Europa-bank over het hoofd van de andere kandidaat: de Nederlandse ex-minister Ruding. Zeer tot ongenoegen van de kleine EG-landen had Frankrijk het over de benoeming van Attali met Groot-Brittannië en Duitsland op een akkoord gegooid.
De manier waarop dit gebeurde toonde duidelijk aan dat, ondanks alle Europese retoriek, het de grote landen vooral te doen is om het nastreven van hun eigen nationale belangen - een les die men ook uit hun houding tijdens de Golfoorlog kon trekken.
De kleine landen, van zowel West- als Oost-Europa, zijn niet in staat tegen de expansionistische politieke, economische en culturele arrogantie van de groten op te tornen. Ze hebben een dubbele handicap: ze zijn klein en ze spreken meestal een niet-internationale taal.
Als ze wel een internationale taal spreken, zoals de Franstaligen in België, is het nog erger. Dan laten ze zich vaak cultureel op sleeptouw nemen door een grote staat. Pierre van Haute, een Franstalige Belgische oud-ambassadeur, schrijft hierover: "De culturele kruistocht waarin Parijs ons heeft meegesleept, kost ons veel, maar onze inspanningen brengen ons niets bij in vergelijking met de voordelen die Frankrijk er uit haalt."
Op kosten van de Franse gemeenschap in België en van het Belgische ministerie van Buitenlandse Zaken worden elk jaar tientallen leraren naar het buitenland gestuurd om daar de Franse taal te doceren. Volgens ambassadeur Van Haute plukt Frankrijk daarvan veel grotere vruchten dan de Belgen die ervoor betalen. "Leraren Frans zijn de effectiefste instrumenten van de export van Franse cultuur," zegt de Franse staatssecretaris de Beaucé. Maar niet alleen van de Franse cultuur. Ook van de Franse commercie en het Franse politieke gedachtengoed.
III
De onmacht van de kleine landen is echter gedeeltelijk aan henzelf te wijten. Zij doen niet aan machtspolitiek omdat zij klein zijn, maar kan je deze redenering niet omdraaien? Zijn zij niet klein omdat zij niet aan machtspolitiek doen? In Nederland, zo schreef dr S. Rozemond van het instituut Clingendael "werd cultuur als terrein van nationaal zelfbehoud nooit tot voorwerp gemaakt van aanmerkelijke zorg in de buitenlandse politiek."
Dezelfde kritiek klonk door in de brief die dr Frans C. de Rover, hoogleraar neerlandistiek aan de Vrije Universiteit van Berlijn, onlangs aan minister d'Ancona schreef naar aanleiding van de weigerachtigheid van de Nederlandse regering om de kosten te dragen in verband met het uitroepen van Nederland tot themaland op der Frankfurter Buchmesse. "Dat het Nederlandse culturele beleid in het buitenland geen naam mag hebben, is al jaren bekend en komt regelmatig - zoals nu - op een bijna folkloristische, maar daarom niet minder pijnlijke wijze in het nieuws," aldus De Rover.
Nederland is een klein land, maar zou het door de groten ook op politiek en economisch gebied niet ernstiger worden genomen als het wel, hoe bescheiden ook, aan cultuurpolitiek deed?
Als de kosten daarvoor te hoog zijn, ligt het voor de hand dat daarbij wordt samengewerkt met Vlaanderen, of zelfs met kleine niet-Nederlandstalige Europese culturen die op hun eentje ook nooit aan cultuurpolitiek kunnen doen.
De eigenheid van Europa is zijn grote culturele verscheidenheid. De kleine culturen in West- en Oost-Europa, lopen het risico door de grote onder de voet te worden gelopen. De kleine landen hebben er belang bij front te vormen tegen de grote. Iemand moet deze frontvorming van de kleintjes beginnen. Iemand moet de kleinere staten van West- en Oost-Europa samenbundelen zodat zij met één stem tot de groten kunnen spreken en er tenminste naar hun stem geluisterd zal worden.
Waarom zouden België en Nederland hier het voorbeeld niet geven door de Benelux uit te bouwen tot de nucleus van een blok van kleine en middelgrote Europese naties die de bekommernis delen samen hun onafhankelijkheid, hun culturele eigenheid en hun politieke en economische belangen te verdedigen tegen de grote naties.
Waarom, bijvoorbeeld, zetten wij in Benelux-verband geen uitwisselingsprogramma's op om, zoals de Fransen en de Duitsers, leidinggevende figuren en managers uit de kleinere landen van Centraal- en Oost-Europa naar hier te halen? Waarom geen programma's voor cultuurexport? Die moeten er dan niet zozeer op gericht zijn onze taal te verspreiden. Ze moeten de boodschap overbrengen dat het unieke van Europa juist zijn veelvoud van culturen is. Daarom kunnen we het best in Benelux-verband werken omdat er binnen deze Benelux-ruimte een veelvoud van culturen aanwezig is.
We moeten de booschap overbrengen dat er een Europa tot stand moet komen dat ook de belangen van de kleine culturen en de kleine landen dient. We moeten de kleine naties van Centraal- en Oost-Europa ervan overtuigen dat zij meer belang hebben om politieke, economische en culturele relaties aan te knopen met het blok van de kleine landen van West-Europa dan zich onder het protectoraat te stellen van een van de groten.
Als we aan culturele activiteiten zoals een Frankfurter Buchmesse geen geld willen besteden, moeten we beseffen dat dit niet alleen culturele, maar ook politieke en economische repercussies heeft. Nederland en België zullen dan, zoals we tijdens de Golfoorlog zagen, slechts de klankborden blijven van de drie grote ons omringende culturen.
15:23
Gepost door 0
Permalink
| Commentaren (2)
| Email dit
|
Facebook
|
23-06-05
Vraag Ludwig Caluwé op 8 juni in Vlaams Parlement
|
|
13:24
Gepost door 0
Permalink
| Commentaren (0)
| Email dit
|
Facebook
|
21-06-05
La Libre Belgique 21 juni 2005
Il y a le feu dans la maison Benelux
Martin Buxant
- - - - - - - - - - -
Entre les Pays-Bas et la Belgique, les querelles d'argent sont récurrentes.
Mais il y a aussi, désormais, deux conceptions différentes du chemin que doit emprunter 'Europe.
EPA
Un beau derby. L'affrontement entre Belges et Néerlandais, avec en guise d'arbitre des Luxembourgeois dont la présidence européenne se termine, a atteint un paroxysme lors du récent sommet européen.
Prenez un chef de gouvernement néerlandais, Jan Peter Balkenende, qui entend voir la contribution de son pays au budget européen largement corrigée à la baisse, refusant les propositions luxembourgeoises pour 2007-2013. Ajoutez-y une méthode comptable, employée par les Pays-Bas pour calculer ce qu'ils versent à l'Europe, dénoncée par la Belgique. Saupoudrez d'une note diplomatique belge reprenant la même base de calcul et démontrant aux Néerlandais que, finalement, la Belgique paye plus que les Pays-Bas. Et versez par-dessus les déclarations d'un ministre belge des Affaires étrangères, Karel De Gucht, comparant Balkenende à un « mélange entre Harry Potter et un petit bourgeois rigide »...
Benelux, trois syllabes que l'on prononce depuis plus de soixante ans déjà: dès 1944, une union monétaire et douanière entre les trois pays était mise en place. « Il y a des hauts et des bas, constate Karel Van de Velde, un fonctionnaire en poste à Bruxelles au siège du Benelux. Mais notre travail est largement indépendant du contexte politique. Les citations de Karel De Gucht n'affectent pas notre travail », tempère-t-il.
Le «Rhin d'acier»
Qu'y a-t-il sur la table de cette Union économique? Le «dossier sensible » du «Rhin d'acier» : cette ligne de fret ferroviaire entre la Belgique et l'Allemagne via les Pays-Bas est vitale pour le port d'Anvers (féroce concurrent du port de Rotterdam) et est bloquée « pour des problèmes écologiques par les Pays-Bas ». Il y a aussi l'approfondissement de l'Escaut ou la coopération policière renforcée entre les trois Etats. Mais « la vérité, c'est qu'il n'y a jamais vraiment eu de contenu politique derrière la structure du Benelux, on a entretenu des illusions, analyse Alfred Pijpers, chercheur au centre Clingendael des relations internationales à La Haye. Maintenant, la ligne de division passe au milieu du Benelux. Et si les Luxembourgeois votent oui (au référendum du 10 juillet sur le traité constitutionnel européen, NdlR), la fracture sera encore plus grande ».
«Ils paraissent étonnés»
Le nee des Pays-Bas au traité, le 1er juin, n'est que la suite logique d'un «grand tournant» amorcé beaucoup plus tôt. Peu avant le traité de Maastricht en 1991, quand, déposant une proposition « ultra pro-européenne » sur la table, la diplomatie néerlandaise s'est vue totalement isolée au cours d'une réunion entre ministres, la donne changea radicalement. L'affaire reste connue comme le «Lundi noir» des Néerlandais: « Un véritable traumatisme », commente Alfred Pijpers. Depuis, l'ardeur communautaire est en chute libre et - malgré un sursaut en 1995 à Amsterdam - les leaders libéraux comme Frits Bolkestein ou Gerrit Zalm ont encouragé le développement d'une rhétorique de comptable par rapport à l'Europe. « En jetant ces chiffres à leur opinion publique, les politiciens néerlandais se sont mis le dos au mur. A présent, ils paraissent étonnés que leur opinion publique ait acquiescé à leurs arguments lors du référendum », constate un observateur européen.
« Si Verhofstadt avait eu un référendum chez lui, il tiendrait un autre langage, observe un diplomate néerlandais en poste à Bruxelles. Nous restons pour l'Europe. Mais les Néerlandais pensent à leur identité. Désormais, c'est la réalité politique: le peuple néerlandais a dit nee.» « Pour les Néerlandais, Verhofstadt est l'incarnation de l'Europe qui veut toujours aller plus loin et plus vite dans la construction européenne, reprend Alfred Pijpers. Il est tellement éloigné de notre vision traditionnelle, qui est libre-échangiste et atlantiste.»
La Belgique, pourtant, devrait continuer à jouer la carte Benelux. Et essayer, comme ce fut le cas lors de la Convention, d'avancer des propositions communes avec le Luxembourg et les Pays-Bas. Car « il faut se rendre aussi à l'évidence, termine Alfred Pijpers, nos relations économiques sont tellement importantes qu'une bonne relation avec le Royaume-Uni ne remplacera jamais celle que les Pays-Bas ont avec la Belgique ».
12:28
Gepost door 0
Permalink
| Commentaren (10)
| Email dit
|
Facebook
|
18-03-05
Overhandiging Benelux-Manifest
Deze avond - 18 maart - wordt een Benelux-Manifest officieel overhandigd aan het directorium van de Interparlementaire Beneluxraad in Den Haag. De initiatiefnemers zijn PROF. EM.Dr. S.W. COUWENBERG, Erasmus Universiteit Rotterdam
PROF. EM. Dr. H. GYSELS, Universiteit Gent
MR. PIERRE VAN HAUTE, Ambassadeur honoraire
In 1958 werden de eerste Beneluxakkoorden afgesloten. Aangezien zij voor een periode van 50 jaar werden afgesloten, houdt dit in dat zij in 2008 ten einde zullen lopen. Op dat ogenblik zullen drie mogelijkheden open staan.
Ofwel worden de akkoorden NIET verlengd en gaan de drie landen ieder terug hun eigen weg. Geen ernstig politicus die deze mogelijkheid wenst. De pioniersrol die onze landen hebben gespeeld bij het tot standkomen van het Verdrag van Rome en het moreel-politieke gezag dat zij daardoor hebben afgedwongen bij hun Europese partners staan dit niet toe.
Ofwel worden de akkoorden gewoon verlengd. Wat echter niet wenselijk en zelfs onmogelijk is. Hun primair doel was immers hoofdzakelijk te situeren op het economische vlak en hier werd hun rol overgenomen door de Europese Unie (bovendien evolueerde in die tijd België van een unitaire naar een federale staat).
Een derde mogelijkheid is echter dat de Benelux wordt verlengd, maar EEN TOTAAL NIEUWE TAAK krijgt.
Wij beleven inderdaad historische tijden. De klok van de geschiedenis wordt, bij wijze van spreken, 1.200 jaar terug gedraaid. Vergeten wij niet dat amper 65 jaar terug de Europese naties elkaar naar de keel vlogen en bereid bleken elkaar uit te moorden. Onze generatie heeft het geluk het begin mee te maken van een nieuw tijdperk, een onomkeerbaar historisch proces: de eenmaking van Europa in een totaal veranderd wereldbeeld met totaal nieuwe verhoudingen. Er is geen weg terug! Onze medewerker, Bart Soens, heeft dit meesterlijk geschetst in zijn antwoord op de vraag “Heeft het nog zin het Beneluxverdrag te hernieuwen?”, vorig jaar al verschenen in ons blad (zie Delta, oktober 2004, pag. 2 e.v.)
Dat ook anderen zich over deze vraag hebben gebogen wordt bewezen door het feit dat een drietal vooraanstaanden uit onze Lage Landen spontaan een “Initiatiefcomité” hebben gevormd (en onze Werkgemeenschap heeft graag hieraan zijn logistieke steun verleend) en hebben opgeroepen om een Manifest te ondertekenen dat de titel draagt
“NAAR EEN NIEUWE BENELUX
Dit INITIATIEFCOMITE bestaat uit
PROF. EM.Dr. S.W. COUWENBERG, Erasmus Universiteit Rotterdam
PROF. EM. Dr. H. GYSELS, Universiteit Gent
MR. PIERRE VAN HAUTE, Ambassadeur honoraire
en Delta prijst zich gelukkig als een der eersten hieraan bekendheid te mogen geven.
Hieronder volgt de tekst van het Manifest:
“Nu het Benelux-verdrag van 1958 in 2008 ten einde loopt, dienen we ons te gaan bezinnen over de toekomst van de Benelux. Aanvankelijk tot stand gekomen als douane-unie, kreeg de Benelux al spoedig een economische en fiscale dimensie, terwijl terreinen als ruimtelijke ordening, milieu, verkeer, politie en justitie er gaandeweg ook bij betrokken werden. In economisch opzicht is de Benelux door de Europese integratie inderdaad voor een groot deel achterhaald. Maar in politiek opzicht kan zij een nieuwe toekomst tegemoet gaan.
Een nieuwe taak dient zich aan, te weten: in de zich uitbreidende Europese Unie onze krachten te bundelen in een hecht politiek samenwerkingsverband, dat ons in staat stelt als een politieke eenheid op te treden bij de onderhandelingen binnen de Europese Unie en zo, met andere kleine lidstaten, een tegenwicht op te bouwen tegen de politiek van de grote lidstaten.
Zonder een nieuwe onafhankelijke en zelfbewuste Benelux zoals hierboven bedoeld, zullen we steeds meer naar het pijpen van de grote lidstaten moeten dansen, feit waarop de Belgische oud-premier Leo Tindemans de laatste jaren vaak heeft gewezen.
Zodra de machtsvraag in de Europese Unie aan de orde komt, moeten we als Benelux-landen met één stem leren spreken, zoals Eurocommissaris Frits Bolkestein herhaaldelijk beklemtoond heeft. Die ene stem heeft inmiddels evenveel politiek gewicht gekregen als die van grotere lidstaten. Juist in een zich uitbreidende E.U., is het van belang de politieke samenwerking binnen de Benelux te intensiveren en daarbij ook meer strategische onderwerpen onder ogen te zien.
De Benelux dient het voortouw te nemen tot zo’n politieke krachtenbundeling en zodoende andere kleine lidstaten te inspireren dat voorbeeld te volgen. Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan bestaande overlegstructuren zoals die tussen de Scandinavische landen en de zogenaamde Visegrad-staten die eveneens verder geintensiveerd zouden moeten worden.
Met dit Manifest roepen de initiatiefnemers de betrokken regeringsinstanties in België, Nederland en Luxemburg op de nodige stappen te ondernemen om de politieke en juridische voorwaarden te scheppen ter vervanging van de huidige primair economische Benelux door een politieke Benelux
De Benelux-landen nemen een unieke geopolitieke plaats in Europa in. Onze wereldhavens zijn het knooppunt van de Europese handel en energiebevoorrading. Benelux is de vierde economische Europese macht. Het was trouwens in de Lage Landen, met hun vrijgevochten handelssteden dat al in de vroege Middeleeuwen de basis werd gelegd voor ons huidig democratisch bestel.
Het was de Benelux die de inspiratie vormde voor de grondleggers van de E.U. toen zij het Verdrag van Rome ondertekenden. Door zich in de E.U. te verenigen zullen de Benelux-staten opnieuw aanknopen met deze pioniersrol. En zo krijgen zij een “grandeur” die nu eens niet gebaseerd is op brute politieke, militaire of economische macht, maar wel op het leveren van toekomstgerichte oplossingen voor het bij elkaar brengen van de Europeanen”.
En zo geldt:
BENELUX = EUROPA = EENHEID IN VERSCHEIDENHEID
Tot zo ver de tekst van het Manifest dat op vrijdag, 18 maart werd overhandigd in aanwezigheid van de pers, door een afvaardiging van het Comité aan de Voorzitter van de INTERPARLEMENTAIRE BENELUXRAAD, de heer Frans de Nerée tot Babberich, op het welbekende Binnenhof in DEN HAAG.
Voegen wij er nog aan toe dat tot op heden het Initiatiefcomité de adhesiebetuiging ontving van méér dan honderd personaliteiten uit Noord en Zuid.
HEBBEN TOT OP HEDEN HET MANIFEST AL ONDERTEKEND:
Prof. dr. Ludo Abicht, Antwerpen, hoogleraar
Prof. dr. Georges Allaert, Oostende, gewoon hoogleraar Universiteit Gent
De Heer Marcel R. Bas, Voorschoten, PR-medewerker, student, publicist
Prof. dr. Raoul Bauer, Puurs, hoogleraaar Cultuurgeschiedenis
Prof. dr. Ludo Beheydt, Winksele
De Heer André Belmans, Brussel, ere-notaris
De Heer Paul Beugels, Amersfoort, voorz. Comité Buitenlands Cultureel Beleid
Prof. dr. Boudewijn Bouckaert,Gent, Direct. Depart.Gener. Jurisprud. & History of Law
De Heer Ruud Bruijns, Rotterdam, drs. historicus, ambtenaar
De Heer drs. Frans Bruins, Den Haag, Landbouwraad-Buitendienst
De Heer Maurits Cailliau, Ieper, Secretaris Stichting/Vereniging Zannekin
De Heer Leo Camerlynck, Ukkel, Voorzitter Stichting/Vereniging Zannekin
De Heer Willy Claes, Hasselt, Minister van Staat
Mr. José Clement, Profondeville, historien
De Heer Frans Crols, Antwerpen, directeur redactie Trends
De Heer Bruno Daems, Brugge, licentiaat geschiedenis, student politieke wetenschappen
De heer Joris Daems, Brugge, student, cand. ir.
De Heer drs. S. De Bont, Amsterdam, controller ABP pensioenfonds- vermogensbeheer
Prof. em. dr. Roger De Bruyn, Rumst, hoogleraar Universiteit Antwerpen
De Heer Filip De Cauwer, Sinaai-Waas, advocaat
De Heer H. den Ouden, Bennekom, gewezen nematoloog W.U.R.
Prof. Dr. Niels De Pauw, Gavere, hoogleraar
Mr. Pascal de Roubaix, Brussel, journalist Echo de la Bourse
Prof. em. dr. Hugo de Schepper, Malden
De Heer drs. Marc De Schrijver, Berchem, medestichter BENEV, oud-kanselier schuttersgilde De Crans
Mr. Yves de Seny, Vieux Waleffe, notaire et sénateur honoraire
Mr. Jean-Pierre Destrebecq, Saint-Symphorien, Prof. hon. enseign. second.
Prof. dr. Luc De Vos, Brussel, gewoon hoogleraar K.M.S. en buitengewoon hoogleraar K.U.L.
Dr. Jules de Wijs, Averbode, doc. medic.
De Heer Ronald De Wilde, Belsele, vice-president Orde van den Prince
De Heer drs. F.W. Dijk, Leiden, historicus
Mv. Prof. dr. Heleen M. Dupuis, Voorschoten
De Heer Maurits Duyck, Turnhout, voormalig personeelsdirecteur Alto, koorleider
De Heer Vik Eggermont, Ekeren, hoofdredacteur Delta
De Heer P.J.G.A. Ego, Breda, voorzitter Stichtingen voor Vrijheid en Veiligheid O.S.L., hoofdredacteur Sta Vast
De Heer Derk-Jan Eppink, Leuven, journalist
Mr. Adolphe Evrard, Châtelineau, secret. honor. C.P.A.S. de Châtelineau
De Heer Marc Eyskens, Heverlee, Minister van Staat, volksvertegenwoordiger, gewezen Eerste-Minister
Dr. W. Goyaerts, Oostduinkerke, huisarts
De Heer Jacques Groffen, Ambassadeur C.D.A. Noord-Brabant
Prof. dr. Antoon Hagen, Malden
De Heer Marten Heida, Veenendaal, oud-schooldirecteur
De Heer Jan Hendrickx, Perk, ambassadeur b.d., Voorzitter Rubens Stichting
De Heer Pierre Houart, Rosières, président Fondation “Toison d’Or”, Fondateur Editions Universitaires, auteur.
Mr. Pieter Huys, Brugge, advocaat, verantwoordelijk uitgever Nucleus
De Heer Paul Jacobs, Keerbergen, gewezen Techn. Directeur Unilever
De Heer Frank Judo, Brussel, advocaat, hoofdredacteur Vivat Academica
Prof.dr. Erik Jurgens, Amsterdam, lid Eerste Kamer
Prof. em. dr. Hendrik Keeris, Gent
De Heer Ward Kennes, Kasterlee, gemeenteraadslid, voorzitter CD&V Regio-Kempen
Dr. L.E.M. Klinkers, Meise, Directeur Klinkers Public Policy Consultants
De Heer Rudi Koot, Numansdorp, ambtenaar
De Heer Willy Kuijpers, Herent, voormalig volksvertegenwoordiger en senator, burgemeester van Herent
De Heer Walter A. Kunnen, Wilrijk, voorzitter B.V.S.E.
De Heer Godfried ridder Lannoo, Tielt
De Heer Bob Lebacq, Antwerpen, ere-ambassadeur
De Heer Domien Leppens, Houthalen-Helchteren, voorh. leraar wetenschappen-aardrijkskunde
De Heer Eddy Levis, Gent, auteur, voorz. afgev. bestuurder V.I.A.T
De Heer Ch. Antoine Graaf de Liedekerke, Leefdaal, gewezen gemeenteraadslid van Bertem
De Heer J. Lindenburg, Heikant, ingenieur
De Heer Albert Maes, Pulle, Afgev. Beheerd. Groep Maes
De Heer Walther Mariën, Rupelmonde, lic. biologie
Prof. dr. P.A. Moerman, Geldrop, hoogleraar Erasmusuniversiteit Rotterdam
De Heer Hugo Morael, Kapellen, gewezen bedrijfsleider reclame-adviesbureau
De heer Alain Mouton, Kortrijk, journalist Trends
Prof.em. dr. Vic Nachtergaele, K.U.L., oud-vice-rector Campus Kortrijk
De Heer Rik Nauwelaerts, Mortsel, lid hoofdbestuur A.N.V.
De Heer Rudy Pauwels, Deurle, ere-notaris
De Heer dr. F.A. Petter, Tilburg, Lid Prov. Stat. N.Brab., lid G.O.L. Benelux-Middengebied.
Mr. Paul Pierret, Bertrix, maître de stage de Univ. de Louvain
De Heer Stijn Polfliet, Nazareth, student 2e licentie geschiedenis Gent
De Heer ir. Frits Pronk, Brasschaat, landbouwkundig ingenieur
De Heer Hugo Rau, Oudenaarde, hoofdbestuurslid A.N.V.
De Heer Pierre Rosiers, Tongeren, ere-hoogleraar Economische Hogeschoool Tilburg
Mv. Prof. dr. Els Ruijsendaal, Amsterdam,
De Heer Herman Schurmans, Brussel, lic. filosofie, gepens. hoofdproducer VRT, Voorzit. Charles de Costerkring
Prof. dr. ir. E. Schuurman, Breukelen
De Heer Luc Seynaeve, Izegem, ondernemer, ondervoorz. Civilistische Liga België.
De Heer Stefan Slembrouck, Balve (D), licentiaat Wijsbegeerte en Letteren, European Marketing Director Sun Chemicals
De Heer F.P.M. Slijkerman, Haren-Groningen, Voorzit. NeBeLux voor Noord-Nederland.
De Heer S.P. Smits, Borsele
De Heer Bart Soens, Antwerpen, publicist
De Heer Leo Tindemans, Edegem, Minister van Staat
De Heer Bart Tommelein, Oostende, federaal volksvertegenwoordiger, ondervoorzitter Benelux Parlement
Prof. dr. Olaf baron van Boetzelaer, Brugge/Den Haag, tijdelijk hoogleraar Filipijnen
Prof.em. dr. Raoul Van Caenegem, Afsnee, Universiteit Gent
De Heer Michael Vandamme, Strombeek-Bever, publicist
De Heer dr.Huib G. van den Doel, Haarlem, Voorz. Feder. Antroposofische Gezondheidszorg
De Heer Wouter Van den Meersch, Gent, publicist
De Heer H.C. van der Drift, Boetersen (D), export manager
De Heer J. Van der Vecht, Leiden, gepens. Rijksambtenaar
De Heer L.G. van Dorp, Amsterdam
De Heer J. Van Geluwe, Waregem, architect, conservator
De Heer Guido Van Gheluwe, De Panne, ere-advocaat, Secret.-Gener. S.E.R.V.
Dr. Michel van Hulten, Lelystad, oud-staatssecretaris voor Verkeer en Waterstaat
E.H. Ferdinand M. van Linden m.s.c., Ternat, oud-missionaris, aalmoezenier
De Heer Carlos van Louwe, Koksijde, gewezen ondervoorzitter Ijzerbedevaartcomité
De Heer A. Van Wassenhove, Sint-Martens-Latem, oud-leraar
De Heer dr. G.J.B. Verbeet, Maastricht, historicus, oud-directeur St. Servaescollege
De Heer Lode Verhaegen, De Pinte, ereraadsheer Hof van Beroep
De Heer Johan Viroux, Bastogne, Germ. Filologie (N,E,D), Waalse letterkunde UCL, Taalkunde RU.Utrecht. Waalstalig.
De Heer Roger Viroux, Fosses-la-Ville, gewezen leraar talen, oud-burgemeester Fosses, lid Waalse schrijvers. Waalstalig.
De Heer Jan J. Vis, Zeist, oud-lid Raad van State
De Heer Jan Jitze Visser, Broeksterwoude, student bestuurskunde Leeuwarden
Dr. Willem Voorthuysen, Amsterdam.
Prof.dr. Hendrik Vos, Gent
De Heer Herman Wauters, Mortsel, kunstenaar-glazenier
Prof. Dr. Roland Willemyns, Brugge, hoogleraar V.U.B.
Wij nodigen hiermede al onze lezers en Benelux-sympathisanten hartelijk uit hun toetreding alsnog op te sturen naar:
Initiatiefcomité “Naar een Nieuwe Benelux”
p/a Hoogpadlaan, 72
B 2180 Ekeren-Antwerpen
(e-mail: vik.eggermont@belgacom.net)
ZULLEN ONZE POLITICI DOOF BLIJVEN VOOR DE STEM VAN ZOVELEN ?
OF ZULLEN ZIJ ZICH GEDRAGEN ALS STAATSLIEDEN
EN IS DE TIJD NIET RIJP OM ERNSTIG NA TE DENKEN OVER DE OPRICHTING VAN EEN
“STICHTING VOOR HET BENELUX-GEMENEBEST IN DE EUROPESE UNIE”?
09:51
Gepost door 0
Permalink
| Commentaren (4)
| Email dit
|
Facebook
|
11-02-05
Benelux Mogelijkheden en moeilijkheden
Deze tekst uit 1999 bevat een stuk geschiedenis dat we aan onze lezers niet willen onthouden.
EEN NIEUWIGHEID?
De Nederlanden hebben een traag en langdurig eenmakingproces gekend dat zijn hoogtepunt bereikte met de oprichting van de Bourgondische Kreits op de Rijksdag te Augsburg in 1548. Alle '17' Nederlanden, ook Vlaanderen en Artesië, die vroeger van de Franse kroon afhingen, maakten van dan af collectief deel uit van het Duitse Rijk, maar de band daarmee was slechts zeer zwak. In 1549 wordt daarenboven de Pragmatieke Sanctie uitgevaardigd die door de diverse provinciale Statenvergaderingen wordt bekrachtigd. De erfopvolging wordt in alle Nederlandse gewesten op identieke wijze geregeld,zodat zij nooit meer van elkaar gescheiden zouden worden. Daarna maakt Filips II,de zoon van Karel V een reis door de Nederlanden, waarbij hij in de gewesten reeds als toekomstig heer wordt gehuldigd.
Die eenmaking was geen uitzondering. Ook Frankrijk kende een gelijkaardige groei naar eenmaking, door huwelijken, intriges, oorlogen tegen onwillige streken,enz. Wel is opvallend dat de Nederlanden op hun weg naar eenmaking, voornamelijk onder de Bourgondiërs,het met minder bloed en meer huwelijken en erfrecht (en -onrecht!) hebben gedaan dan Frankrijk. En ook zonder enig taalimperialisme.
Dit was wel aanwezig bij de vorming van het Franse Rijk. Was het niet de Franse koning Henri IV die aan de verteqenwoordigers van een pas aangehecht deel van Savoie, nl. de Bresse(1601) zegde: “Il estoit raisonnable que puisque vous parles naturellement françois vous fussiez subjects a un Roy de France. Je veux bien que la langue espagnole demeure a I'Espagnol, I 'allemande a I 'Allemand mais toute la françoise est à moi.“
Met de godsdienstoorlogen die in heel Europa woedden en vaak ook nog andere dan geloofsgronden hadden,liep het in de Nederlanden mis. Het zou duren tot 1815 om ze weer samen te brengen, maar dan vanuit politieke motieven van bepaalde grootmachten, en niet van binnen uit. Driehonderd jaar uiteengroeien zou zich dan ook in 1830 wreken.
Een diepgaande studie van de evolutie naar de Bourgondische Kreits zou elementen kunnen aanbrengen die een verre voedingsbodem vormden voor de Beneluxgedachte.
Maar het zijn eerderde scheidingsperikelen van 1830-1839 die in de loop van de 19de eeuw sommigen die op een of andere wijze met het beleid van de brokstukken van de gewezen Nederlanden te maken hadden, deden nadenken over een nieuwe vorm van samenwerking en eenmaking van de vroegere Nederlanden.
DE XIXde EEUWSE VOORGESCHIEDENIS
Zonderling genoeg begon het in een gebied dat helemaal aan de zuidoostelijke kant van die Nederlanden ligt: Luxemburg. Bij de totstandkoming van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd ook het gewezen prinsbisdom Luik er bij gevoegd, dat eeuwenlange en zelfstandige wig in het geheelwas geweest, maar niet het hertogdom Luxemburg dat van oudsher er wel bij hoorde. Waarom?
Na het Congres van Wenen gebeurde er in de Duitse gebieden een"herschikking" waarbij het graafschap Nassau aan Willem ontnomen werd. In ruil kreeg hij Luxemburg ten persoonlijken titel als een groothertogdom.
In 1818 wordt in het Duitse Keizerrijk een belasting- en tolwet uitgevaardigd. Accijnzen vervangen grenstollen en verbruiksbelastingen. Om een einde te maken aan de 38 Duitse tol systemen sticht de econoom Friedrich List in 1819 de Duitse handels- en nijverheidsbond. Uiteindelijk zullen 39 staten, waaronder ook zonderling genoeg Denemarken en Luxemburg,deel uitmaken van dit Zollverein. Het gevolg hiervan was voor Luxemburg niet uitsluitend economisch:het groothertogdom kreeg een Pruisisch garnizoen en werd door nieuwe hoge tolgrenzen van de Nederlanden afgesneden. Ook was het zijn traditionele Franse afzetmarkten kwijtgeraakt.
In 1830 heeft de juli-augustus-evolutie in Parijs vertakkingen tot in de Zuidelijke Nederlanden. Brussel roert zich – samen met Luik - en kent een opstand tegen Willem I die vrij onhandig reageert. Kortom, België wordt een apart koninkrijk onder Leopold I. En in de "Conferentie van Londen"waar dit alles wordt bedisseld, wordt Luxemburg gesplitst in een groter deel dat de Belgische provincie Luxemburg wordt en een kleiner deel dat door een personele unie (zie hoger) met Nederland verbonden bleef. Toch zou het nog negenjaar lang vanuit Arlon bestuurd worden. Want pa sin 1839 aanvaardde Willem I de 24 artikelen van oktober 1831 (Conferentie van Londen) aan te nemen. Limburg en Luxemburg werden verdeeld over de twee landen. Willem I bleef persoonlijk groothertog van het resterende Luxemburg. Nederlands Limburg en Luxemburg werden echter beide lid van de Duitse Bond.
Doch in datzelfde jaar al bood België aan het overgebleven groothertogdom een soort contingentenovereenkomst aan. Terwijl einde 1840 de handelsmogelijkheden met Nederland reeds werden verruimd.
Luxemburg nam ook het voortouw in de ontwikkeling van de idee van een vernieuwde samenwerking. Bij een bezoek van koning-groothertog Willem II in 1841 aan het kanton Luxemburg vroeg Norbert Metz niet alleen om een eigen grondwet en parlementvoor het groothertogdom, maar ook om een verdrag met België, aangevuld door een economische unie met Nederland.
Onder de nieuwe koning Willem II,die nog de hoop koesterde België met Nederland te herenigen,was er integendeel een tarievenoorlog ontstaan tussen beide landen.Op aanstoken van Antwerpen had België protectionistische maatregelengetroffen, waarop Nederland reageerde. In 1846 was het vrij onverwacht tot onderhandelingen gekomen, waarbij de Belgische uit Luxemburg stammende gezant in Den Haag, baron Willmar, een belangrijke rol speelde. Na moeizame onderhandelingen werd op 1 juli 1846 een overeenkomst bereikt. Met de herinnering in het hoofd aan het Napoleontisch avontuur, werd Europa in 1848 door de februarirevolutie in Parijs danig ongerust. Ook politiek Nederland. Het verheugde zich dan ook zeer in het feit dat België troepen concentreerde op de grens met Frankrijk.Waarop de Nederlandse regering afzag van
Een troepenconcentratie in het zuiden van het land. Leopold I meende dat dit het geschikte moment was om op een economische overeenkomst aan te dringen.De jonge staat zou dolgraag een gelijke behandeling verkregen hebben van Belgische producten in de Nederlandse koloniën. Doch het nieuw aangestelde kabinet Schimmelpenninck oordeelde dit nadelig voor het eigen land. Al zou Thorbecke het jaar nadien aan een Belgische oud-student schrijven: "Ik ben er van overtuigd, dat de eenparige overeenstemming van de beide landen een wederzijds belang is."
In 1857 was het jaar van een forse recessie,zowat de eerste wereldhandelscrisis. Rogier,toen minister van Buitenlandse Zaken, wees in economische publicaties, onder meer in de "Economiste Beige" verschenen, op de mogelijkheid de markt voor industriële productie te verruimen door een tolunie met Nederland. In zijn onderhoud hierover met de Nederlandse gezant, drukte hij ook op het politieke belang ervan, terwijl zijn bijkomend oogmerk was een ingangspoort tot de Nederlandse koloniën te vinden. Den Haag gaf algauw instructies aanzijn gezant te Brussel om deze zaak van zich af te schudden.
Toch had die recessiepositieve gevolgen. Leden van de koninklijke families verschenen op de wederzijdse ontvangsten van de gezant van het buurland. En terwijl de gespannen toestand in Europa bleef aanhouden, ondertekenden beide landen in 1863 drie verdragen: een akkoord werd bereikt over het afkopen van de Scheldetol, een ander over het water en de bevaarbaarheid van de Maas, en tenslotte een scheepvaart- en handelsakkoord waarbij het recht der meest begunstigde natie tot de koloniën uitgebreid werd.
Na 1866 koelen de betrekkingen af. Waar het Congres van Wenen van 1815 universalistisch, zegge continentaal dacht, maar dan zonder Frankrijk, groeide nu het nationalisme. De Duitse Bond iel uiteen waardoor Luxemburg zelfstandig werd. Frankrijk,dat aan expansiepolitiek deed, ambieerde Luxemburg te bezitten en stelde zelfs aan Nederland voor België onderling te verdelen.
In die tijd spiegelde Nederland zich aan Engeland en meende op gelijke voet te staan, dank zij zijn immens koloniaal rijk. Het was weinig continentaal gericht, naar het voorbeeld van Engeland,en koesterde zijn belangen overzee. Het wilde ook goede betrekkingen onderhouden met Frankrijk, en meende van Duitsland geen last te hebben, op de betrokkenheid van Limburg na bij die Duitse Bond. En België was niet al te veel aandacht waard: een samenwerking was daarenboven risicovol gezien de neutrale status van België. Kortom, de Nederlandse politieke wereld had, en zeker onder Willem III, weinig belangstelling voor de internationale politiek.
Volgt dan de Frans-Duitse oorlog in 1870. Dit was geen klimaat om aan een economische unie te denken. En daarna ontstond opnieuw een langdurige recessie die overal tot protectionistische maatregelen leidde. Deze depressie zou tot het einde van de eeuw duren.
De twintigste eeuw begon in de spanning die heerste rondom de verhouding Frankrijk-Duitsland. Meteen groeide weer de toenadering tussen België en Nederland. In oktober 1905 begon in de krant “le Petit Bleu" een reeks artikelen van Eugene Baie onder de titel "Doivent-elles s'allier?"die veel positieve reacties uitlokte vanwege Belgische zowel als Nederlandse politici. Er werd zelfs in 1907 een "Nederlandsch-Belgische Commissie ter bestudering van de economische vraagstukken rakende de belangen van beide landen" opgericht met zetel te Brussel. Veel ooraanstaande politici uit beide landen waren er lid van. Zij vergaderde jaarlijks plenair en telde verscheidene studiegroepen. De overheid erkende de verdienste van deze niet-officiële Commissie. Oorlogswolken hingen toen echter weer over Europa en vergden ieders aandacht.
In 1914 werden België en Luxemburg onder de voet gelopen door de Duitsers. In 1918 werd Luxemburg opnieuw bezet, maar nu door de Geallieerden. Economisch moest het land ergens bij een buurland aansluiten. Frankrijk wees een dergelijke vraag af, want het had de steun van België nodig om een harde politiek tegenover Duitsland te voeren. Op 25 juli 1921 werd dan een akkoord over een Belgisch-Luxemburgse economische Unie ondertekend.
In hetzelfde jaar pleitte de Belgische Eerste-Minister Carton de Wiart openlijk voor Belgisch-Nederlandse samenwerking:"La nature et la geographie ont fait de la Hollande et de la Belgique deux pays destinés à s'entendre."
Toch zouden er nog vele pogingen moeten ondernomen worden om dichter bij elkaar te komen. Heel wat verklaringen werden afgelegd en initiatieven gelanceerd, maar bleken alle eendagsvliegen te zijn.
De Volkenbond slaagde er in 1930 niet in een algemene overeenkomst over tariefverlagingendoor te drukken. Dit bracht sommige landen op de idee om onderling een poging te wagen. De Donaulanden en de Baltische staten waren hier algauw volop mee bezig. Waarop Paul Hymans, minister van Buitenlandse Zaken, in december 1931 voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers uitkwam voor een douane-unie met Nederland.
Van dan af begon de verhouding tussen beide landen te beteren. Vooral ook doordat beide landen reeds de Conventie van Oslo in december 1930 ondertekend hadden, waarvan de bedoeling was de handelsbelemmeringen te verminderen.
In 1932 was er nog een Belgisch-Luxemburgse Studiecommissie opgericht om na te gaan of een douane-unie met Nederland verwezenlijkbaar was.
Tussen 1933 en 1938 hadden nog tal van besprekingen plaats die wijzigingen aanbrachten aan oude handelsovereenkomsten of zelfs het verdrag van 1839 tot onderwerp hadden, al vonden vooral de Nederlanders dit probleem niet urgent. Hoe dan ook, dat dit ter sprake kwam, wijst er op dat men zich aan beide zijden van de grens bezon over een grotere samenwerking, al was het vaak onder de groeiende dreiging van buiten uit.
Veel van bovenstaande gegevens worden uitvoerig besproken in het inleidend hoofdstuk "Toenadering in golven. De voorgeschiedenis van Benelux" van het gedenkboek "Benelux in de kijker. 50 jaar samenwerking." van de hand van G.van Roon. Een merkwaardige studie waar wij dankbaar gebruik van gemaakt hebben.
BENELUX
In een uitgave van het Secretariaat-Generaal van de Benelux gedagtekend 1.9.1985 wordt verteld dat de naam door een Belgische econoom, F.N. Aspeslagh, uitgevonden werd. Zelf schreef hij hierover het volgende: "Ik ben inderdaad de uitvinder van de naam"Benelux" en ik zal U vertellen hoe ik ertoe kwam deze naam voor het eerst te gebruiken. Kort na de oorlog was ik Belgische correspondent voor het Engelse blad 'The Economist". De redactie en de lezers van dit blad hadden grote belangstelling voor de akkoorden van Londen die zouden leiden tot de douane-unie tussen Nederland, België en Luxemburg en voor de plannen tot oprichting van een economische unie tussen deze drie landen.
De stijl van "The Economist" stelde echter bepaalde eisen: men moest zoveel mogelijk zeggen met zo weinig mogelijk woorden. Dat was moeilijk omdat ik steeds moest spreken van de "Customs Union between Belgium, the Netherlands and Luxemburg" of soms, als de omstandigheden het toelieten, van de "Customs Union" zonder meer. Tenslotte had ik genoeg van deze redactionele gymnastiek en ik besloot een nieuw woord uit te vinden dat echter aan een aantal criteria moest voldoen. Het moest origineel zijn, in verschillende talen gebruikt kunnen worden en een soort gedachteassociatie voeren tussen deze nieuwe instellingen en de daarvoor gekozen naam. Als eerste mogelijkheid schoot mij "NEBELUX"te binnen doch na enig aarzelen veranderde ik dit in "BENELUX" omdat dat beter klonk. Maar toch was ik niet tevreden, de naam leek mij meer geschikt als merk voor een stofzuiger dan voor een geografisch begrip. Toch waagde ik het er op en gebruikte de naam voor het eerst in 'The Economist" van 6 augustus 1947. Sedertdien is de term geleidelijk ingeburgerd."
GESCHIEDENIS
De geschiedenis van Benelux begint in Londen in oktober 1943. Daar, in het Savoy-hotel, legden de Nederlander van Kleffens, de Belgen Spaak en Gutt en de Luxemburger Bech, de grondslagen van de Belgische Luxemburgse Nederlandse Douane-Unie.
Het gebeurde in dat Victoriaanse hotel waar de salons namen van operettes droegen. In 1881 ging te Londen de première door van de operette "Patience" van Sullivan. Het salon waar onze politici bijeenkwamen, heette "Patience" en dit zou ook het motto kunnen zijn voor de ontwikkeling van de gesprekken die er gevoerd werden.
In de overeenkomst van 21 oktober 1943 wordt de wisselkoerspolitiek een zaak van algemeen belang behandeld, terwijl ook spelregels voorzien worden voor de bevordering van het betalingsverkeer. Twee onmisbare elementen om tot een economische integratie te komen.
Op 5.9.44 kondigde Radio Londen aan dat België, Luxemburg en Nederland een douaneovereenkomst hadden gesloten. De bedoeling was deze onmiddellijk in werking te stellen van zohaast de drie regeringen in hun land zouden zijn teruggekeerd. Door de oorlogsomstandigheden gebeurde dit niet gelijktijdig en terwijl het economisch herstel in België en Luxemburg vrij vlot en op gelijklopende wijze van de grond kwam, was de economische toestand in Nederland, waar de bezetting en oorlog over een groot deel van het grondgebied tot mei 1945 duurde, precies daardoor veel zorgwekkender. Er gebeurde dan ook niets tot begin 1946. Toen besloten Schermerhorn, toenmalig minister-president en Spaak, minister van
Buitenlandse Zaken, tijdens een ontmoeting in Den Haag, een einde te maken aan de aarzelingen van de voorbije maanden. Prof.Schermerhorn wilde zelfs de opbouw van Europa zien vanuit een Lage-Landen-Kern en een begin maken met het oprichten van een deelfederatie – de Benelux – die uiteraard de federatieve vereniging van Europa zou bevorderen.
De douaneovereenkomst werd in de zomer van 1947 door de drie parlementen goedgekeurde en op 1.1.1948 trad zij in werking.
Van de ene dag op de andere werd het Benelux-handelsverkeer vrijgesteld van douanerechten en werd een gemeenschappelijk tarief van kracht (een compromis tussen het vooroorlogs tariefsysteem van Nederland en dat van de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie) voor het handelsverkeer met derde landen. De bedoelingwas echter veel ruimer, maar ook veel complexer,namelijk de oprichting van een economische unie.
Van 1948 tot 1958 werd grondig gewerkt om tot een economische samenwerking te komen. Het was een tasten en zoeken, een uitvinden, want dergelijke economische toenadering had toen nog geen enkel precedent waaruit enige lering kon gehaald worden, tenzij de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie (BLEU) die in 1921 ontstaan was.
BENELUX,EEN TWEETRAPSRAKET of
DE BLEU,voorloper van BENELUX.
Door de definitieve splitsing van het hertogdom Luxemburg na 1839 werd het Groothertogdom Luxemburg geboren en werd het in een personele unie met de Nederlandse kroon verbonden.
In februari 1867 onderhandelde Willem III met keizer Napoleon III over de verkoop van Luxemburg. Dit wekte ontstemming bij Bismarck en leidde tot een internationale crisis De Luxemburgse kwestie werd uiteindelijk in een conferentie te Londen geregeld, en op 11 mei 1867 werden Luxemburg en Limburg vrijgemaakt van de Duitse Bond. De neutraliteit van Luxemburg wordt door de grote mogendheden en ook door Nederland gegarandeerd. De jonge Belgische Staat werd hier volkomen buiten gelaten.
Na de Eerste Wereldoorlog ging het Groothertogdom Luxemburg op zoek naar een partner waarmee het een groter economisch geheel kon vormen.
In 1919 bleek bij referendum een grote meerderheid te vinden voor Frankrijk,maar dit land wees het aanbod beleefd af.Daarop wendt Luxemburg zich tot België en zo ontstond in 1921 de BLEU,die voor 50 jaar werd afgesloten en daarna stilzwijgend werd verlengd telkens voor een periode van 10jaar. In 192I was de wetgeving niet zo uitgebreid en ingewikkeld als thans, en werd er dus ook niet gedacht aan een algehele beleidsharmonisatie. Toch treft men in de toenmalige overeenkomst bepalingen aan die een aanzetvormen voor het latere Benelux-verdrag van 1958, zoals:
de opheffing van de douanebarrières tussen de aangesloten landen;
het gebruiken van gelijke douanerechten en accijnzen t.a.v. derde landen;
vrij personen verkeer en vrije vestiging;
het gemeenschappelijk afsluiten van handelsakkoorden en andere economische akkoorden.
Naast of na die oorspronkelijke trekken van een gemeenschappelijke markt, zijn er sindsdien andere regelingen bijgekomen die verruimend werkten, of de bedoeling hadden de Unie aan te passen aan steeds wijzigende internationale structuren.
Speciale aandacht verdient beslist de monetaire verhouding tussen beide landen. Sedert 1921 houden beide landen een gemeenschappelijke monetaire reserve aan goud en deviezen, die wordt beheerd door de Nationale Bank van België en het Belgisch Luxemburgs Instituut voor de Wissel. Sedert 20.5.1983 beschikt Luxemburg over een eigen monetair instituut, dat o.a. tot taak heeft munten en bankbiljetten uit te geven en toezicht te houden op de omloop ervan. Naast Belgisch geld zijn in het Groothertogdom tevens bankbiljetten in omloop die worden uitgegeven door de Caisse d'Epargne de 1'Etat en de Banque Internationale du Luxembourg. Dit geld is geen wettelijk betaalmiddel in België. Sedert 1944 hebben de Belgische en Luxemburgse frank dezelfde waarde. Het was dan ook begrijpelijk dat de BLEU dreigde uiteen te vallen toen de regering Martens in 1982 de BEF devalueerde zonder Luxemburg hierin te kennen. De oprichting in 1983 van het bovenvermelde Monetair Instituut in Luxemburg is hier ook niet vreemd
aan.
De BLEU was dus het enige bruikbare voorbeeld in 1944 en later. Van Nederlandse zijde was het gegeven echter gans nieuw waar België-Luxemburg dan toch al 25 jaar ervaring achter de rug hadden.
En zo eenvoudig is een tolunie ook niet. Zij betekende de afschaffing van douanetarieven aan de binnengrenzen en de instelling van gemeenschappelijke douanetarieven. Er moest een afgestemde aanpak bedacht worden vanuit douanetechnisch oogpunt die zou leiden tot een volledig vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitalen voor eigen verbruik of in transit.
In de beginjaren zeventig werd gewerkt aan het wegnemen van administratieve handelsbelemmeringen, uit hoofde van gezondheid, veiligheid, kwaliteitsvereisten, enz. Vergelijk met Groot-Brittannië: je mag er niet naartoe met een hond of hij moet speciaal ingeënt worden. Zoniet wordt quarantaine opgelegd.
Zo werd op 29 april 1969 een Protocol "Belemmeringen" ondertekend dat op 29 januari 1971 in werking trad: afschaffing van de bestaande belemmeringen en verplaatsing van de controle naar het binnenland. In de tweede plaats werd binnen de Regeringsconferentie van 1969 overeengekomen dat de grensformaliteiten ten gevolge van de BTW. op I juli 1971 zouden worden afgeschaft. Deze formaliteiten werden verlegd naar het binnenland; bij het passeren van de grens werd volstaan"met het opvragen van een kopie van de handelsfactuur. Ten derde werd in 1971 de Overeenkomst inzake de eenmaking van het Benelux-douanegebied van kracht. Daardoor werd op douanetechnisch gebied dezelfde wetgeving in heel de Benelux ingevoerd. Dus vanaf 1972 werd bij de overgang van de binnengrens geen controle van de ladingen meer verricht, enkel nog afgifte van documenten en een nazicht daarvan vonden plaats.
TERUGNAAR DE GESCHIEDENIS
Benelux startte dus zoals de BLEU met een douane-unie, maar de drie landen streefden er ook meteen naar het handelsverkeer stap voor stap te liberaliseren.
Precies aan het einde van het eerste decennium van het bestaan van de Benelux doet zich een nieuw feit voor waarbij Benelux de rol vervulde van voortrekker, en sterker nog van promotor van de Europese integratie. Na te hebben meegewerkt aan de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal namen de Benelux-regeringen het initiatief tot de conferenties van Messina, Hertoginnedal en Rome,die in de jaren 1955-1957 hebben geleid tot de totstandkoming van de EEG.
In zijn "Mémoires" schreef Jean Monnet over de Conferentie te Messina in 1955: "In Messina namen de Ministers als basis voor hun akkoord het memorandum van de Benelux en hadden zij enkel de tijd om dit hier en daar naar de vorm af te zwakken." Wij kunnen derhalve gerust stellen dat die Benelux-unie in wording, gedurende die 10 jaar het toenmalige Europa der zes de weg wees, zonder hem zelf al grondig verkend te hebben.
Is het misschien daarom, en om over een bepaalde bewegingsvrijheid te kunnen blijven beschikken, dat de grondleggers van Benelux, de wijze voorzorg namen om in het Verdrag van Rome van 25.3.1957 het artikel 233 te doen opnemen:
"De bepalingen van dit verdrag vormen geen beletsel voor het bestaan en de voltooiing van de regionale unies tussen België en Luxemburg, alsmede tussen België, Luxemburg en Nederland, voor zover de doelstellingen van die regionale unies niet bereikt zijn door de toepassing van dit verdrag."
De grootste zorg van onze vertegenwoordigers was toen dus wel de toekomst van het kleine Europa dat BENELUX was, veilig te stellen. Of dachten zij bij het overschouwen van de geschiedenis van de Nederlanden aan Vergilius: "Mijn territorium is klein, maar mijn roem is groot."? Of nog aan een uitspraak in 1963 van Eerste-Minister Théo Lefèvre: "In West Europa bestaan alleen maar kleine landen, zij die dat van zichzelf weten, en zij die dit nog niet weten."?
Want na de oprichting op 1.1.1958 van de E.E.G der Zes, werd op 3.2.1958 overgegaan tot de ondertekening van de BENELUX-Economische Unie, verdrag dat op 1.1.1960 in werking moest treden.
Wat houdt dit Benelux-verdrag feitelijk in?
De drie landen willen komen tot vrij verkeer van personen, goederen, kapitalen en diensten. Dit vereist een coördinatie van het economische, financiële en sociale beleid binnen de drie landen, en naar buiten het aanvaarden en voeren van een gemeenschappelijk beleid in de economische betrekkingen met derde landen, en inzake de daarmee verband houdende betalingen. Uiteindelijk betekent dit alles dat regeringen bereid zijn afstand te doen van een deel van hun nationale autonomie. Dit kan wel gauw in woorden en bedoelingen vastgelegd worden, het wordt echter moeilijker in de uitvoering en in de feiten.
De BENELUX-partners die - althans België en Luxemburg – reeds 35 jaar ervaring achter de rug hadden, wisten het maar al te goed en vermoedden zelfs dat de grootse aanpak van de E.E.G. wel eens verlammend zou kunnen uitvallen, ook voor het kleinere BENELUX.Het reeds aangehaalde artikel 233 is hiervan zo illustrerend dat het de moeite loont het nog eens onder ogen te nemen, met speciale aandacht voor een gebruikte term waaruit blijkt dat de BENELUX-onderhandelaars bereid waren zeer ver te gaan in het afslanken van hun autonomie: "De bepalingen van dit verdrag vormen geen beletsel voor het bestaan en de voltooiing van de regionale unies tussen België en Luxemburg, alsmede België, Luxemburg en Nederland, voor zover de doelstellingen van die regionale unies niet bereikt zijn door de toepassing van dit verdrag." De BENELUX-partners wisten al uit eigen ervaring hoe lang het kan duren eer woorden en bedoelingen in daden omgezet raken.
Nu heeft het er in de laatste jaren naar uit gezien alsof BENELUX overvleugeld raakte door de E.E.G., ja zelfs overbodig leek, en dan ook zijn slagvaardigheid verloren had.
Het is inderdaad meermalen gebeurd dat de BENELUX-instanties bepaalde studies of initiatieven niet verder meer uitwerkten, omdat de E.E.G. er toch werk ging van maken op Europees niveau. Het is ook herhaalde malen gebeurd dat BENELUX die studies of initiatieven opnieuw ter hand nam, nadat vastgesteld was dat de E.E.G. geen vooruitgang boekte en in haar plechtige verklaringen bleef steken. Een paar voorbeelden: een vijftiental jaren geleden was er een BENELUX-overleg inzake de intra-BENELUX-handel en de invoer van dierlijk sperma aan de gang. Dit werd stopgezet omdat men voorzag dat de E.E.G. hieromtrent een richtlijn zou uitvaardigen. De E.E.G. liep hier echter op vast en het probleem werd onmiddellijk opnieuw door BENELUX ter hand genomen. Een ander voorbeeld was de invoering door de BENELUX van de nog niet operationele E.E.G.-lijst van landen van waaruit de landen van de E.E.G. vee en vlees mochten invoeren.
Soms komt het ergerlijk over dat België bv. bij de koplopers is in de E.E.G.voor wat betreft de toepassing
van een of andere van haar aanbevelingen of verordeningen. Een zevental slachthuizen in ons land kunnen hier ellenlange verhalen over opdissen.
Vanwaar komt die overdreven ijver die soms aan de dag gelegd wordt door sommige van onze politici?
Het is onmiskenbaar dat het bestaan van BENELUX sommige E.E.G.-verantwoordelijken en ambtenaren niet gelukkig maakt. Zij staan tegenover andere landen die in feite niets van hun autonomie willen afstaan, al hebben deze het E.E.G.verdrag ondertekend. Met het elan dat de BENELUX in zijn eerste decennium had verworven, kan het niet anders of het moet in zijn verdere ontwikkeling af en toe in botsing komen met de E.E.G.-ontwikkeling die uiteraard veel logger en administratiever verloopt dan de kleinschaligere, maar vooral soepelere ontwikkeling van BENELUX.Veel verordeningen van de E.E.G. handelen over zaken die reeds hun beslag kregen binnen de BENELUX. Teneinde het goede partnership binnen de E.E.G. te bewijzen, willen sommige politici van ons land dan wel eens iets te vlug verordeningen en richtlijnen van de E.E.G. involgen terwijl andere landen, die er dikwijls zelf mee afkwamen,er nog mee talmen.
Inmiddels laten onze politici meer momenten voorbijgaan waarin zij de BENELUX als model zouden kunnen stellenvoor de E.E.G. Hoe dikwijls hebben zij bijvoorbeeld in de E.E.G. gewezen op de spaarzame wijze waarop Benelux werkt? In 1998 ging dit met een begroting van 200 miljoen of 7,6 BEF per hoofd van de bevolking van BENELUX. De E.E.G. kostte ons in 1984 reeds 2.058 BEF per hoofd! En voor 1999 is de Belgische bijdrage uit de algemene uitgavenbegroting aan de Europese Unie 47.199,8 miljoen BEF!of ongeveer 4700 BEF per hoofd.
Soms kwam BENELUX zelfs als een dreiging bij de E.E.G.over.Zo moet het voor de ambtenaren van de E.E.G een zware dag geweest zijn toen op 1.7.1984 BENELUX het zgn. enige document invoerde.Hiermee worden de wachttijden aan de binnengrenzen nog verder ingekort, aangezien al de nog resterende formaliteiten voor BTW,statistiek en deviezencontrole voortaan kunnen worden vervuld d.m.v. één enkel uniform administratief document, met slechts 16vakjes.Het wordt afgegeven aan het grenskantoor van het invoerende land, waar de waarneming en de controle mede voor het uitvoerende land worden verricht.
Het comité van Ministers van de BENELUX dat deze beslissing pas op 17.10.1983 trof, was er zich wel van bewust dat het om een grote innovatie ging. Trouwens de belangstelling die bepaalde Europese lidstaten hiervoor vertoonden, vooral Frankrijken Duitsland, wees er op.
Waarom zoveel woorden besteed aan één formulier? Precies omdat het de aspiraties van de E.E.G. belichaamt. Dit document n° 50 vervangt een 70-tal formulieren die even zoveel getuigenissen waren en zijn van de uitdrukking van de nationale autonomie en van de machtsontwikkeling van de administraties' van de betrokken landen.
Drie buurlanden komen er toe op zeer korte tijd deze vereenvoudiging door te voeren. Hun buurlanden Duitslánd en Frankrijk kijken meer dan belangstellend uit naar een eerste evaluatie na een half jaar praktijk. Straks volgen zij het BENELUX-voorbeeld en zullen de vijf centraal gelegen landen binnen de E.U. éénzelfde uniek document kennen, dat van die landen een gesmeerde draaischijf voor het handelsverkeer zou maken. En dan nog wel zonder E.U., maar alweer op initiatief van de drie BENELUX-landen.
Tegenover het feit dat BENELUX voor de E.E.G. toonaangevend en vooruitlopend was met de invoering van dit enig document, is er een schaduwzijde te melden, namelijk de accijnspolitiek. Al sinds het begin van BENELUX,is via een in 1950 ondertekende overeenkomst getracht de accijnstarieven van de partnerlanden gelijk te doen lopen. Hier werd slechts een zeer beperkte uitvoering aan gegeven:een geünificeerde accijns op wijn en schuimwijn, waardoor deze producten zonder grensformaliteiten over het BENELUX-gebied kunnen worden gevoerd. Een uitzondering geldt evenwel voor Luxemburgse wijn, waarop bij binnenkomst in België en Nederland een aanvullende accijns wordt geheven.
In 1969 werd de politieke wil nogmaals bevestigd om voor accijnsgoederen alle formaliteiten aan de binnengrenzen af te schaffen en in '70 en '72 werden twee nieuwe overeenkomsten ondertekend, maar deze zijn nooit in werking getreden. Accijnsgoederen blijken in de BLEU,' de BENELUX en de E.G. de kluif te zijn waarin men zich hardnekkig vastbijt. Zo is het fameuze document 50 dan toch niet het enige document wanneer accijnsgoederen binnen de BENELUX verhandeld worden. En kijk maar naar de accijnspolitiek die o.m. door België gevoerd wordt op de olieproducten. Een accijnsverhoging voor benzine en dieselolie om het begrotingsdeficit te verkleinen, is sedert jaren een vrij gekend gebruik.
Wel wordt periodiek op hoger niveau herhaald dat men naar de eenmaking van de accijnzen moetstreven. In het verslag van de drie regeringen aan de Raadgevende Interparlementaire BENELUX-raad, dat handelt over de periode van 1.7.1983 tot 30.6.1984, werd opnieuw gezegd dat het "overleg inzake het opstellen van een prioriteitenlijst van de met het oog op toenadering of harmonisatie van accijnstarieven in aanmerking te nemen producten 'niet kon' voortgezet worden. Deze besprekingen zullen later worden
hervat".
Kom,laten wij dit accijnsgeval ten aanzien van de totale problematiek als een schoonheidsvlek beschouwen op het gelaat van de BLEU dat na haast 80 jaar heel rijpe trekken vertoont en waarvan BENELUX in zijn meer dan 5O-jarig bestaan veel van geleerd heeft.
Maurits DUYCK
In: Kenmerk-L’Accent nr. 135, oktober-november 1999
14:47
Gepost door 0
Permalink
| Commentaren (0)
| Email dit
|
Facebook
|
19-01-05
Jean-Luc Dehaene en Benelux
Benelux
Tja, voetbal. Het doet soms pijn. De Belgische ploegen kunnen internationaal niet meer mee. Er komen te weinig toeschouwers, de jeugd gaat weg zonder opleidingsvergoeding, de beste spelers spelen in het buitenland. Een Franse ploeg uit tweede klasse verdient zelfs meer uit televisierechten dan een ploeg als Club Brugge. En dan krijg je extreme toestanden zoals Beveren. Daar speelt geen enkele Belg meer.
Ik zou het moeilijk hebben om voor zo'n ploeg te supporteren. Een Benelux-competitie zou ideaal zijn. Ik begrijp best dat het niet eenvoudig is om zoiets te realiseren. Maar als we nog tien jaar wachten, dan is het kalf gewoon verdronken. Wat er in het voormalige Oostblok gebeurt, hou je niet voor mogelijk. In Brugge zag ik soms ploegen met een bestuur dat wel een karikatuur uit een Al Capone-film leek. Je moet de hoeveelheden geld die via het voetbal worden gerecycleerd, niet onderschatten. Dat is ook de enige verklaring waarom er nog spelers naar het Oosten trekken, hoewel ze haast in een concentratiekamp moeten spelen. De lonen zijn gigantisch. Door het lager economisch niveau blijft voetbal er bovendien een vorm van maatschappelijke emancipatie, bij ons is het eerder een vorm van gemakzucht. Dat hebben we ook tijdens de Olympische Spelen gemerkt. Mensen willen de inspanningen niet meer leveren. Maar ook de samenleving investeert onvoldoende om vanuit een soort prestigegevoel een sportelite op te bouwen. Een land als Nederland is daar op een veel gerichter manier mee begaan. Inzake staatshervorming zijn we hier wellicht te ver gegaan. Vanuit een soort federale volwassenheid zouden we moeten proberen iets gemeenschappelijks uit te bouwen. Alle heil zal niet van een totale splitsing komen. Die over-mijn-lijkmentaliteit hebben we gewoon niet. Wij hebben geen assertieve natuur, we zijn bescheiden werkers. We zijn al blij dat we er bij zijn. Daarom zou de Benelux ook zo'n ideaal land zijn. De Luxemburgers brengen het geld aan, al dan niet zwart. De Belgen maken er met hard werk een goed product van. De Nederlanders mogen het vervolgens verkopen.
th
Uit: De Standaard, 31.12.2004
09:32
Gepost door 0
Permalink
| Commentaren (0)
| Email dit
|
Facebook
|
02-11-04
Initiatiefcomité "Naar een nieuwe Benelux"
Initiatiefcomité “NAAR EEN NIEUWE BENELUX”
PROF. EM. Dr. S.W. COUWENBERG, Erasmus Universiteit Rotterdam
PROF. EM. Dr. H. GYSELS, Universiteit Gent
NAAR EEN NIEUWE BENELUX
Nu het Benelux-verdrag van
Een nieuwe taak dient zich aan, te weten: in de zich uitbreidende Europese Unie onze krachten te bundelen in een hecht politiek samenwerkingsverband, dat ons in staat stelt als een politieke eenheid op te treden bij de onderhandelingen binnen de Europese Unie en zo, met andere kleine lidstaten, een tegenwicht op te bouwen tegen de politiek van de grote lidstaten.
Zonder een nieuwe onafhankelijke en zelfbewuste Benelux zoals hierboven bedoeld, zullen we steeds meer naar het pijpen van de grote lidstaten moeten dansen, feit waarop de Belgische oud-premier Leo Tindemans de laatste jaren vaak heeft gewezen.
Zodra de machtsvraag in de Europese Unie aan de orde komt, moeten we als Benelux-landen met één stem leren spreken, zoals Eurocommissaris Frits Bolkestein herhaaldelijk beklemtoond heeft. Die ene stem heeft inmiddels evenveel politiek gewicht gekregen als die van grotere lidstaten. Juist in een zich uitbreidende E.U., is het van belang de politieke samenwerking binnen de Benelux te intensiveren en daarbij ook meer strategische onderwerpen onder ogen te zien.
De Benelux dient het voortouw te nemen tot zo’n politieke krachtenbundeling en zodoende andere kleine lidstaten te inspireren dat voorbeeld te volgen. Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan bestaande overlegstructuren zoals die tussen de Scandinavische landen en de zogenaamde Visegrad-staten die eveneens verder geintensiveerd zouden moeten worden.
Met dit Manifest roepen de initiatiefnemers de betrokken regeringsinstanties in België, Nederland en Luxemburg op de nodige stappen te ondernemen om de politieke en juridische voorwaarden te scheppen ter vervanging van de huidige primair economische Benelux door een politieke Benelux
De Benelux-landen nemen een unieke geopolitieke plaats in Europa in. Onze wereldhavens zijn het knooppunt van de Europese handel en energiebevoorrading. Benelux is de vierde economische Europese macht. Het was trouwens in de Lage Landen, met hun vrijgevochten handelssteden dat al in de vroege Middeleeuwen de basis werd gelegd voor ons huidig democratisch bestel. Harmonische verhoudingen binnen de Benelux zouden er bovendien kunnen toe bijdragen dat de breuklijn inzake cultuur-en beschavingstradities, die dwars door Europa loopt, zouden overbrugd worden. Zij zijn a.h.w. een “mini-Europa”.
Het was de Benelux die de inspiratie vormde voor de grondleggers van de E.U. toen zij het Verdrag van Rome ondertekenden. Door zich in de E.U. te verenigen zullen de Benelux-staten opnieuw aanknopen met deze pioniersrol. En zo krijgen zij een “grandeur” die nu eens niet gebaseerd is op brute politieke, militaire of economische macht, maar wel op het leveren van toekomstgerichte oplossingen voor het bij elkaar brengen van de Europeanen.
En zo geldt:
BENELUX = EUROPA = EENHEID IN VERSCHEIDENHEID
Dit manifest wordt later verder verspreid ter ondertekening. Momenteel zouden een veertigtal prominenten het reeds ondertekend hebben. Verdere berichtgeving over mogelijkheid tot ondertekening en contactname volgt.
21:18
Gepost door 0
Permalink
| Commentaren (0)
| Email dit
|
Facebook
|
26-10-04
Maandblad DELTA, oktober 2004
Feiten en beschouwingen
Heeft het nog zin om de Beneluxverdrag, dat in 2007 vervalt te hernieuwen? Is de rol van de Benelux niet volledig overgenomen door de EU? Is het geen overbodige tussenlaag tussen 3 staten en Europa?
In de huidige situatie, waarin de Benelux hoofdzakelijk over economische bevoegdheden beschikt, moeten deze vragen bevestigend beantwoord worden. De Benelux economische unie is achterhaald door de Europese economische én monetaire Unie. Door de Benelux evenwel een politieke dimensie te geven kan zij daarentegen wel een zinvolle constructie zijn in Europa. Meer nog: de Benelux kan een ideale oplossing betekenen voor de bestuurbaarheidsproblemen die de verruimde EU onvermijdelijk tegemoet gaat.
De EU is nog steeds hoofdzakelijk intergouvernementeel ingericht. Met andere woorden: de belangrijkste politieke beslissingen in Europa worden nog steeds genomen door de vergadering van ministers van de lidstaten. Het spreekt voor zich dat naarmate er meer lidstaten bijkomen, het steeds moeilijker wordt om tot overeenstemming te komen. De werking van de EU werd nu eenmaal vastgelegd toen er nog maar 6 leden waren. Bijeenkomsten van die 6 ministers werden dan ook wel eens vergeleken met de vergadering van een vriendenclubje. Ondertussen zijn er 25 lidstaten. Het spreekt voor zich dat de EU zich dan niet meer op dezelfde wijze kan bestuurd worden.
Theoretisch zou de macht van de lidstaten kunnen beperkt worden. Alle Europese beslissingen zouden dan door Europese, supranationale instellingen, zoals de Europese Commissie worden genomen. Deze instellingen zijn niet afhankelijk van nationale regeringen. In de praktijk is een dergelijk federaal Europa evenwel nog toekomstmuziek. Ten eerste omdat nationale staten nu eenmaal nog springlevend zijn en hun bevolkingen niet zomaar hun macht aan de EU willen overdragen. En ten tweede omdat de Europese instellingen nog onvoldoende democratische draagkracht hebben: de Westerse democratieën zijn nog steeds nationaal uitgebouwd.
Om Europa toch bestuurbaar te houden werd er op de recente EU-top in juni dan ook voor gekozen om het vetorecht dat de lidstaten nu nog bezitten zoveel mogelijk te beperken en te stemmen volgens dubbele meerderheden. Echt fundamentele veranderingen in de manier waarop de EU wordt geregeerd werden echter niet doorgevoerd. De kleine lidstaten legden zich niet zomaar neer bij het verlies aan invloed dat de verbreding van de Unie voor hen meebrengt: hun verdediging kwam erop neer dat ze tevergeefs vasthielden aan 1 Europese Commissaris per land en dat ze zoveel mogelijk stemrechten in de Ministerraad probeerden veilig te stellen. Het is een krampachtige en egocentrische reflex die de EU alleen nog maar gecompliceerder maakt. Bovendien is het stemrecht in de EU ongelijk verdeeld: kleine lidstaten hebben een groter stemgewicht in verhouding tot hun bevolkingsaantal dan grote. Een Belg, een Let of een Maltees zijn dus meer "waard" dan een Duitser of een Italiaan. De kleine lidstaten bedienen zich dus van weinig democratische mechanismen om hun positie veilig te stellen. Nochtans is het ook in het Europese belang dat een machtsevenwicht tussen grote en kleine lidstaten ontstaat. De EU mag niet worden gekaapt door een directoire van enkele grote landen die onderling de vitale beslissingen treffen om ze achteraf enkel voor de vorm te laten bekrachtigen door het geheel der lidstaten. Europa is immers meer dan de optelsom van enkele voormalige grootmachten.
De vraag is dus hoe de belangen van de kleine lidstaten te laten samenvallen met die van Europa. Hoe kan, met andere woorden, een win-winsituatie ontstaan? Het antwoord ligt in het bundelen van kleine lidstaten tot Europese deelfederaties. De Benelux kan daarbij een voortrekkersrol spelen.
De Beneluxlanden zouden op vergaderingen van de Europese Ministerraad steeds een gemeenschappelijk standpunt kunnen innemen. Laat de ministers van de 3 landen eerst voorafgaandelijk overleg plegen om met des te meer kracht front te vormen op Europees vlak. Op vergaderingen van de Ministerraad kunnen 2 staten zich door een derde laten vertegenwoordigen (zoals recentelijk Duitsland zich eenmalig door Frankrijk liet vertegenwoordigen). Voor benoemingen van bijvoorbeeld een Eurocommissaris zou steeds een gemeenschappelijke kandidaat kunnen worden voorgedragen. Eén en ander kan formeel worden vastgelegd in een hernieuwd Beneluxverdrag. Zo vormt de Benelux zich om van een economische naar een politieke unie. De voordelen liggen voor de hand: met zijn 26 miljoen inwoners is de Benelux te vergelijken met een middelgrote Europese staat als Spanje, wat zich vertaalt in een identieke politieke machtspositie. Voor Europa leidt een dergelijke statenbundeling tot een vlottere bestuurbaarheid: hoe minder deelnemers aan internationale vergaderingen, hoe efficiënter ze verlopen.
De Benelux als intra-Europese instelling zou een inspirerende rol kunnen spelen voor andere Europese deelfederaties. Nu reeds bestaande overlegstructuren tussen bijvoorbeeld de Scandinavische landen of de zogenaamde Visegradstaten zouden kunnen uitgroeien tot met de Benelux vergelijkbare deelfederaties. Meer nog: Europa zou op termijn de deelfederaties formeel kunnen erkennen en als zodanig in haar organisatie opnemen. Het huidige Benelux-secretariaat zou dan een onderdeel vormen van de Europese administratie. Als alternatief voor het huidige gehakketak en onderling geruzie op Europese topvergaderingen zou de EU een heus concertsysteem kunnen nastreven waarbij een Europese President als dirigent optreedt tussen natiestaten als Frankrijk of Duitsland enerzijds en deelfederaties als de Benelux anderzijds. De EU zou kleine lidstaten zelfs kunnen verplichten om zich te groeperen. En van kandidaat-lidstaten zou kunnen verwacht worden dat ze tot een reeds bestaande deelfederatie toetreden in plaats van rechtstreeks lid van de EU te worden. Aldus kan men komen tot een numerus claususbeginsel: een vooraf vastgelegd aantal leden van de EU zonder nieuwe staten hun Europese dromen stuk te slaan.
Men zou kunnen opwerpen dat met de installatie van deelfederaties de EU weliswaar vlotter kan bestuurd worden, maar dat er dan weer een tussenniveau bijkomt tussen nationale staten en Europa. En bovendien zou er misschien minder geruzie zijn op Europese vergaderingen, maar ligt het niet voor de hand dat de leden van een deelfederatie het steeds eens worden over een gemeenschappelijk standpunt: het probleem verplaatst zich dus gewoon. Beide kritieken kunnen evenwel weerlegd worden. In een systeem van deelfederaties blijven de deelnemende staten gewoon bestaan, ze verplichten zich enkel tot een gemeenschappelijk optreden naar de EU toe. Concreet zou dit voor de Benelux betekenen dat België, Nederland en Luxemburg gewoon blijven bestaan en hun inwoners ook burger blijven van die staat. Er komt dus geen Beneluxregering of Beneluxwetgeving. Al kunnen de Beneluxpartners er natuurlijk wel altijd voor kiezen om hun Europese samenwerking uit te breiden naar andere domeinen: zo zouden er bijvoorbeeld ook gemeenschappelijke ambassades kunnen komen. Een "fusie" van de 3 staten is echter niet aan de orde. En voor wat betreft het mogelijks te verwachten geruzie tussen de leden van de deelfederatie kan men natuurlijk stellen dat wie nog niet eens met zijn buren overweg kan, zich niet de pretentie moet toe-eigenen om deel te nemen aan het Europese besluitvormingsproces. Concreet: als de leden van een deelfederatie er niet in slagen een gemeenschappelijk standpunt in te nemen, zou het voor hen onmogelijk moeten zijn om deel te nemen aan de Europese vergaderingen. Bij gebreke een gezamenlijk standpunt, komen ze er dus niet aan te pas en wordt er gewoon zonder hen beslist. Wel zou de Europese Commissie of het Europese Hof van Justitie een rol kunnen spelen bij eventuele conflicten tussen de leden van een deelfederatie.
Het komt er dus op aan de leden van de Europese deelfederaties sterke prikkels te geven om hun eventuele onderlinge conflicten op te lossen. Langs de andere kant zal een permanente (zelfs min of meer gedwongen) samenwerking in Europese zaken de leden van een deelfederatie hoedanook dichter bij elkaar brengen. Ze zullen voortdurend met elkaar moeten samenwerken en overleg moeten plegen. Aldus zal het eenvoudig worden om hun samenwerking tot andere domeinen dan de strikt Europese uit te breiden. Op die manier komt een sterke regionale integratie tot stand die de resterende staatsnationalistische sentimenten (die immers vooral tot uiting komen in relaties tussen buurstaten) tegengaat. De EU zou dit in de hand kunnen werken door nog een stap verder te gaan: men zou kleine lidstaten niet enkel kunnen verplichten om samen te werken bij het totstandkomen van Europese beslissingen, maar ook bij het uitvoeren daarvan. Het is immers zo dat de belangrijkste vorm van Europese wetgeving zogenaamde "richtlijnen" zijn: daarin geeft de EU aan wat de doelstellingen van een wet zijn. Maar het is aan de lidstaten om die richtlijn in een eigen nationale wet om te zetten. En daarbij hebben de lidstaten een zekere vrijheid. Welnu, de EU zou de in deelfederaties verenigde kleine lidstaten kunnen verplichten om ook bij de omzetting van de richtlijn samen te werken. Zo zou de Europese wetgeving nog steeds in nationale wetgeving moeten worden omgezet, maar in een deelfederatie zou iedere lidstaat een identieke tekst aannemen.
Vooral in de nieuwe en eventueel later op te nemen lidstaten in Oost-Europa, met zijn grillige grenzen, zijn minderhedenmozaïeken en zijn nog steeds sluimerende onderlinge rivaliteiten zou een doorgedreven regionale samenwerking veel onheil kunnen voorkomen. Zou men bijvoorbeeld de toekomstige Balkanstaten niet beter kunnen verplichten om een gezamenlijke kandidatuur in te dienen? Men mag er alle vertrouwen in hebben dat hun regeringen in dat geval het verleden zullen uitwissen om samen een Europese toekomst uit te bouwen. Misschien is het wel de historische plicht van de internationale gemeenschap. Laten we immers niet vergeten dat vele etnische conflicten in Europa het gevolg waren van bemoeinissen van de toenmalige grootmachten, die de verschillende staten en volkeren tegen elkaar opzetten om zelf hun invloedssfeer uit te breiden. Dat ze nu maar eens hun invloed aanwenden om eendracht in plaats van verdeeldheid te brengen.
In ieder geval zijn deelfederaties de aangewezen weg om de positie van de kleine lidstaten in Europa te verankeren zonder afbreuk te doen aan de efficiënte werking van de EU. Deelfederaties zullen het bindweefsel binnenin de EU versterken, zodat de Europese instellingen niet verworden tot reuzen op lemen voeten, maar het concrete sluitstuk gaan vormen van een hecht internationaal samenhorigheidsgevoel. Uiteraard kan men niet verwachten dat de nog ovenverse EU-Grondwet onmiddellijk aan het concept van de deelfederaties zou aangepast worden. Het is aan de kleine lidstaten om zich binnen de huidige EU-structuren reeds te verenigen en concreet aan te tonen wat er zo allemaal kan bereikt worden. En hier dienen de Beneluxlanden zich hun Europese roeping te herinneren. Het was in de Lage Landen, met hun vrijgevochten handelssteden, waar reeds in de vroege Middelleeuwen de basis werd gelegd voor ons huidig democratisch bestel. Tot op de dag van vandaag neemt de Benelux een unieke geopolitieke plaats in Europa in: onze wereldhavens zijn de draaischijf voor de Europese handel en energiebevoorrading. En het was tenslotte toch de Benelux zelf die de inspiratie vormde voor de grondleggers van de EU toen zij het Verdrag van Rome ondertekenden. Door zich in de EU te verenigen knopen de Beneluxstaten opnieuw aan met hun historische pioniersrol. Zij zullen de EU versterken en andere staten inspireren. En zo verkrijgen ze een grandeur die nu eens niet gebaseerd is op brute politieke, militaire of economische macht, maar wel op het leveren van toekomstgerichte oplossingen voor het nader bij elkaar brengen van de Europeanen. En zo geldt:
Benelux = Europa = EENHEID IN VERSCHEIDENHEID.
Bart Soens
14:55
Gepost door 0
Permalink
| Commentaren (1)
| Email dit
|
Facebook
|
21-10-04
't Pallieterke van 20 oktober 2004
Een slechte start
Onlangs (27-28 september) vond in het Vredespaleis in Den Haag de derde Belgisch-Nederlandse Conferentie plaats. Voorwerp van besprekingen: wat kunnen België en Nederland maar beter samen doen om toch nog enige invloed te kunnen uitoefenen in de Europese Unie nu deze tot 25 lidstaten werd uitgebreid? Het soortelijke gewicht van beide staten was immers stukken groter bij het begin van de Unie, toen men maar met zes was, dan nu met een steeds groter aantal leden van de EU-club. ~
Het viel op dat de twee ministers van buitenlandse zaken (de heren Bot en De Gucht) per se vriendelijk tegenover elkaar wilden zijn. Het was ook meegenomen dat de Nederlandse gastheren hun gastvrijheid – gastronomie en hotelaccommodatie - vier sterren wilden meegeven. Maar de wijn mocht nog zo goed zijnen de atmosfeer nog zo aangenaam, toch waren de aanwezigen - ministers, ambassadeurs, professoren allerhande - zich wel bewust van het feit dat het de jongste vijf jaar - het hele tijdperk Louis Michel met de Belgisch-Nederlandse betrekkingen niet zo schitterend was geweest. In de crisis rond Irak was het Belgische ministerie van buitenlandse zaken niet meer dan een bijhuis van het Franse Quai d'Orsay, terwijl Nederland resoluut de Angelsaksische kaart trok en een belangrijk militair contingent naar het land van Tigris en Eufraat zond.
Overleg en afstemming waren ook niet ideaal - eufemisme! -toen de Europese conventie aan de orde was, zelfs indien men moet erkennen dat het gezamenlijke Benelux-memorandum in dit debat richtinggevend is geweest. Inzake het Europese veiligheidsbeleid stonden Nederland en België meer dan eens lijnrecht tegenover elkaar. En in de economie zijn er nogal wat pogingen mislukt om tussen Nederlandse en Belgische bedrijven strategische partnerschappen te ontwikkelen. Dat een samenwerking tussen Sabena en KLM de mist inging, moge hiervan een voorbeeld zijn.
Maar het weze genoteerd dat de verklaringen van Karel de Gucht anders klinken dan de bombast van Louis Michel en dat Bernard Bot,. De Nederlandse minister van buitenlandse zaken, in zijn toespraak kwam aan dragen met het nieuws dat in Nederland de eens zo aanwezige Belgenmop op sterven na dood is. De Gucht en Bot willen duidelijk samen wel wat doen. Ze hebben daarover afspraken gemaakt.
Geert Bourgeois afwezig
Het "was wel jammer dat het officiële Vlaanderen in Den Haag uitblonk door ... afwezigheid. Geert Bourgeois, Vlaams minister voor het buitenlandse beleid, was nergens te bespeuren. Vanwege het geïnstitutionaliseerde Vlaanderen was er geen enkele tussenkomst in het debat. Dat is minstens merkwaardig. Vlaanderen is immers buitenlands bevoegd voor alle materies waarvoor het ook binnenlands competent is, maar het bleef helemaal afwezig op het forum in Den Haag. Elke jurist weet, of kan weten, dat zowel in Benelux- als in EU-verband er een pak materies autonoom door Vlaanderen is te beheren. Het is dan ook fout, zoals sommigen doen, aan Vlaams minister Bourgeois te adviseren afwezig te blijven op conferenties, zoals in Den Haag, waar België het woord voert.
Minister van buitenlandse zaken Karel de Gucht zei: "Met dit in gedachten is de Benelux niet zomaar een samenwerkingsverband? Het is een institutioneel platform dat onze nauwe banden tegelijk symboliseert en verankert. Het Benelux-verband moet ook in de toekomst een rol van betekenis blijven spelen, omdat daartoe een rationele noodzaak bestaat. Het is in ons welbegrepen eigenbelang dat wij proberen zoveel mogelijk gezamenlijk naar buiten te treden. Samen betekenen wij duidelijk meer dan de som van ieder afzonderlijk. Een plus een is in dit geval minder dan twee."
Dat is natuurlijk waar, maar in de dialoog met Nederland moet Vlaanderen de Belgische minister van buitenlandse zaken niet alleen laten spreken. Afwezigen hebben zeer vaak ongelijk. Geert Bourgeois heeft een kans gemist om Vlaanderen een gezicht te geven binnen het Belgisch-Nederiands en het Benelux-debat. Een slechte start!
MAARTEN ICKX
20:01
Gepost door 0
Permalink
| Commentaren (1)
| Email dit
|
Facebook
|
11-10-04
Interessante enquête
Er werd gevraagd of de gemeenschappelijke voetbalcompetitie België-Nederland op steun kon rekenen. Maar liefst 52% van de antwoorden was het daar mee eens. | |
|
|
11:35
Gepost door 0
Permalink
| Commentaren (1)
| Email dit
|
Facebook
|
06-10-04
Interview premier Nederland over toekomst Benelux
| Interview met de heer J.P. Balkenende, minister-president van Nederland Benelux : Wat is het hoofdobjectief dat u tijdens het Nederlands voorzitterschap vooropstelt? Hoe ver nog reikt de ambitie van een federaal Europa? Hr Balkenende : We willen van de uitbreiding een succes maken. We moeten met elkaar laten zien dat de Europese Unie met 25 lidstaten goed kan functioneren. Intern, door efficiënt te overleggen en tot effectieve besluiten te komen. Maar ook extern. De Europese Unie moet een herkenbare bron zijn van stabiliteit, veiligheid, welvaart en welzijn voor alle Europese burgers. Daarnaast willen we vooruitgang boeken op een aantal inhoudelijke onderwerpen. Dan heb ik het in de eerste plaats over het functioneren van de Europese economie en over gezonde overheidsfinanciën. Structurele hervormingen en verbetering van het concurrentievermogen zijn essentieel. We moeten volop inzetten op innovatie en op terugdringing van de administratieve lasten. Ook moeten we oog blijven houden voor het respecteren van afspraken en regels, zoals die in het kader van het Stabiliteits- en Groeipact. Een tweede prioriteit is verder werken aan de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid die de Unie haar burgers biedt. We moeten de lijn doortrekken die door de Europese Raad van Tampere is uitgezet. Nieuwe uitdagingen vragen erom dat we nieuwe stappen durven zetten. Er moet een duidelijk Europees beleid komen op het gebied van asiel en migratie. De samenwerking bij de bestrijding van terrorisme moet intensiever en zal onze aandacht blijven vragen. Verder heeft Europa deels nieuwe gemeenschappelijke grenzen gekregen. Beheer en bewaking daarvan vragen de nodige aandacht. Ten derde zal de Unie zich moeten blijven afvragen hoe zij een zo positief mogelijke rol in de wereld kan spelen. Actieve Europese betrokkenheid is van groot belang, bijvoorbeeld in de landen van de Balkan en in Afrika. Welke zijn de prangende vraagstukken die onder Nederlands voorzitterschap zeker een oplossing moeten krijgen? Belangrijk is de voortzetting van de toetredingsonderhandelingen met Bulgarije en Roemenië. De Europese Raad van december 2004 staat voor de vraag of Turkije voldoet aan de politieke Kopenhagen-criteria. Het voldoen aan die criteria is een voorwaarde voor het starten van toetredingsonderhandelingen. Ook zullen we aandacht besteden aan de lidmaatschapsaanvraag van Kroatië. Wij blijven streven naar een spoedig akkoord over de ontwerp-grondwet, het liefst nog tijdens het Ierse voorzitterschap. In de tweede helft van 2004 kunnen we ons dan concentreren op de voorbereiding van de inwerkingtreding daarvan. Daarnaast zal de financiële vormgeving van de uitgebreide Unie veel aandacht vragen. Het gaat daarbij om de hoogte van de meerjarige begroting, de structuur van de jaarlijkse begrotingen, de hoofdlijn van het daaruit te financieren beleid en de eigen middelen van de Unie. Zodra de Europese Commissie haar pakket voorstellen voor de nieuwe Financiële Perspectieven heeft voorgelegd aan de Raad, beginnen de gesprekken hierover. Vanaf 1 mei zijn er 10 nieuwe lidstaten bijgekomen. Die entree is redelijk kil verlopen. Hoe kan die integratie het best verlopen? Vindt u het redelijk dat het rijke westen een stap terug doet ten gunste van deze nieuwkomers? De toetreding van de tien nieuwe lidstaten is heel zorgvuldig voorbereid. Er zijn goede voorzieningen getroffen om hun integratie zonder grote problemen te laten verlopen. De Unie heeft deze landen met overtuiging verwelkomd: de uitbreiding is een historische kans, zowel voor de “oude” als de “nieuwe” lidstaten. Ze draagt bij aan grotere stabiliteit en veiligheid op het Europese continent en biedt ook economische voordelen. De kosten van de uitbreiding zijn goed in kaart gebracht. En inderdaad is in deze tijden van krappe overheidsfinanciën een beheerste ontwikkeling van de totale kosten van groot belang. Nederland bepleit dat in de komende periode het regiobeleid wordt geconcentreerd op de armste lidstaten. De rijkere landen kunnen zelf in de ontwikkeling van hun zwakkere regio’s investeren. Tegelijkertijd is het bijvoorbeeld zo dat in de toetredende landen de agrariërs slechts geleidelijk in aanmerking komen voor inkomenssteun. En vergeet niet dat de nieuwe lidstaten ook bijdragen aan de uitgaven van de Unie. Hoe dient volgens u Europa zijn buitenlandpolitiek in te vullen? Betekent Irak nog een splijtzwam? Tijdens het voorzitterschap zal Nederland zich sterk maken voor een concreter en slagvaardiger extern beleid van de Unie. Dat betekent dat de verschillende beleidsterreinen (zoals handel, ontwikkelingssamenwerking en veiligheid) goed op elkaar moeten worden afgestemd. Daarnaast moet in de uitgebreide Unie extra aandacht worden besteed aan een vlotte besluitvorming en aan daadwerkelijke uitvoering van het beleid. De kwestie 'Irak' heeft eens te meer duidelijk gemaakt hoe belangrijk het is dat de Unie met één stem spreekt. Ook de drie grote lidstaten zijn zich daarvan bewust. Na 11 maart kan ook Europa het terrorisme niet uitsluiten. De heer De Vries werd aangesteld als “EU-veiligheidscoördinator”. Welke zijn volgens u de prioriteiten ter bestrijding of voorkoming van het terrorisme? Tijdens de Europese Raad van maart 2004 was er grote eensgezindheid om de dreigingen van het internationaal terrorisme samen het hoofd te bieden. Bestrijding van terrorisme is een belangrijk onderwerp op de agenda van het Nederlandse voorzitterschap. Concrete speerpunten voor Nederland zijn onder andere de bestrijding van de financiering van terrorisme en de verbetering van de samenwerking tussen inlichtingen-, veiligheids- en politiediensten. In akkoorden met derde landen wil Nederland terrorismeclausules opnemen. Hoe zal het “sociaal Europa” door Nederland worden ingevuld? Nederland wil tijdens het voorzitterschap de grondslagen leggen voor de nieuwe sociale beleidsagenda 2006-2010. Die agenda zou sterker gericht moeten zijn op het realiseren van de Lissabon-doelstellingen. Sociaal beleid moet ook op langere termijn houdbaar zijn. Een activerend sociaal stelsel is daarbij van groot belang. Dat stelsel moet mensen stimuleren aan het werk te gaan, maar tegelijkertijd bescherming bieden aan hen die dat nodig hebben. De resultaten van het Rapport Kok over werkgelegenheid vormen hierbij het uitgangspunt. Met het oog op de nieuwe sociale agenda zal gedurende het Nederlandse voorzitterschap een aantal conferenties worden georganiseerd. De resultaten daarvan komen samen in een afsluitende conferentie met als motto “Social Europe : Let’s Deliver”, die op 8 en 9 november in Rotterdam wordt gehouden. De Benelux heeft bij herhaling in het verleden een pioniersrol vervuld. Kan de Benelux die rol ook in de toekomst vervullen? Zijn er domeinen waarin de Benelux nog een speerpunttaak kan vervullen? De Benelux-partners hebben verklaard de huidige samenwerking te willen versterken. Dit is van belang om gezamenlijk binnen de Unie van 25 invloed te kunnen behouden. Samen zijn de landen van de Benelux volgens het Verdrag van Nice in stemgewicht vergelijkbaar met de grote landen in de Unie. Dit gewicht kan ingezet worden voor de gemeenschappelijke doelen die de regeringen van de Benelux zich stellen. Een voorbeeld van een nieuwe speerpunttaak van de Benelux is het Senningenoverleg. Dit overleg draagt bij aan een effectieve samenwerking tussen België, Luxemburg en Nederland bij de aanpak van grensoverschrijdende vraagstukken zoals drugs, rampenbeheersing, immigratie en veiligheid. Een tweede voorbeeld is de inspanning van de Beneluxlanden om hun ontwikkelingshulp in Afrika beter op elkaar af te stemmen, zodat de hulp zo effectief mogelijk wordt. Tijdens het Belgisch voorzitterschap in 2001 was een Nederlands en een Luxemburgs diplomaat aan het voorzitterschap toegevoegd. Is dit nu ook zo voor België en Luxemburg? De ervaringen in 2001 waren heel positief. Daarom is sinds november 2003 een Belgische diplomaat werkzaam bij het ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag, die gedurende het gehele EU-voorzitterschap zal blijven. Van Luxemburgse zijde is aangegeven dat de omstandigheden, zo kort voor het eigen Luxemburgse voorzitterschap, een plaatsing van een Luxemburgse collega in Nederland op dit moment helaas niet toestaan. Maar wij gaan door met deze uitwisselingen, ook na de wederzijdse voorzitterschappen. Tijdens uw voorzitterschap zal een nieuw Europees Parlement en een nieuwe Commissie aantreden. Heeft dit gevolgen voor uw werkzaamheden? Het zal uiteraard een behoorlijke inspanning van de voorzitter van de Raad vergen om continuïteit in de wetgevingswerkzaamheden te waarborgen wanneer het Europees Parlement en de Commissie druk bezig zijn zich zelf te constitueren. We moeten daarom nog beter plannen dan we toch al moesten, en goede werkafspraken maken. Nederland heeft een goede reputatie als voorzitter van de Unie. Ik zal alles in het werk stellen om deze reputatie eer aan te doen. K. Van de Velde Bron: Officiële webstek Benelux België |
12:33
Gepost door 0
Permalink
| Commentaren (0)
| Email dit
|
Facebook
|
28-09-04
Actueel!
| ||
BRUSSEL - De Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Bernard Bot heeft vanmorgen een voorstel voor een gemeenschappelijke Belgisch-Nederlandse voetbalcompetitie gelanceerd. Hij wil daarmee de samenwerking de Benelux-landen versterken. Bot deed zijn voorstel tijdens een toespraak op de Belgisch-Nederlandse Conferentie in Den Haag. | ||
| ,,Stelt u zich eens een competitie voor met wedstrijden als Club Brugge tegen Ajax, Feyenoord tegen Anderlecht'', vroeg Bot. ,,Een dergelijke competitie zou spannender zijn en kwalitatief hoogwaardiger. De clubs zouden bovendien meer mogelijkheden krijgen om zich te verweren tegen rijke clubs in grotere competities elders in Europa.'' Belangrijker nog voor Bot is dat Belgen en Nederlanders daardoor meer belangstelling voor elkaar zouden krijgen. ,,Iets dergelijks zou ook het geval kunnen zijn wanneer bijvoorbeeld de Ronde van Vlaanderen eens het Nederlands grondgebied zou aandoen - zoals dat met de Tour de France al is gebeurd.'' Verder pleit de Nederlandse minister voor de verdere intensivering van overleg tussen de Benelux-landen op alle niveaus - tussen de hoofdsteden en tussen onze diplomatieke posten in andere landen, op al die dossiers die zich daar voor lenen. Hij wil ook doorgaan met de wederzijdse detachering van ambtenaren. |
15:15
Gepost door 0
Permalink
| Commentaren (0)
| Email dit
|
Facebook
|